Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De arbeiderskolonies.

op hunne zwerftochten tot bedelarij gedreven werden, ze konden dan bij de pohtie nachtverblijf en reisgeld krijgen. Het was daarbij mogelijk, dat talrijke bedelaars de bedelarij tot een beroep maakten, zonder dat het in de meeste gevallen mogelijk was te bewijzen, dat ze zouden hebben kunnen werken, indien ze gewild hadden *). Men stond dus vrijwel machteloos tegenover deze groep behoeftige en lastige menschen.

Het oorspronkehjke doel van Van den Bosch, die de kolonie van Weldadigheid als opvoedingstehuis voor arbeidswilligen bedoeld had, met een daarmede verbonden kolonisatie *) der ontgonnen heide voor de armen*), die voor landbouw waren opgeleid, is in de laatste decenniën weer naar voren gekomen. In Duitschland was Bodelschwingh de stichter; sedert 1882*), het jaar, waarin hij de eerste kolonie Wilhelmsdorf opende6), zijn circa 40 dergelijke inrichtingen opgericht, alle vrije kolonies.

Generaal Booth begon ook met het stichten der Hadleigh-Colony in Essex in 1890. The Hollesley Boy Farm Colony van de Local government Board of England and Wales beoogde hetzelfde. De Belgische Maisons de Refuge te Hoogstraten'),

•) Deze moeilijkheid is in Duitschland opgeheven door de Werkinrichtingen voor landloopers. Wet xgo7.

Deze werkinrichtingen treden als bemiddelaar op om onbemiddelde mannen, die arbeid zoeken, werk te verschaffen en tijdelijk onderdak en voeding tegen arbeidspraestatie te geven. Het voornaamste punt van de wet is, dat aan ieder arbeider, die in staat is werk te verrichten, in tijden van nood in plaats van een aalmoes werk gegeven wordt. In Westfalen werd het systeem reeds in 190a practisch ingevoerd.

Twee daarmee in verband staande paragrafen van het Duitsche W. v. S. luiden: § 361.7. Mit Haft wird bestraft: Wer, wenn er aus öffentlichen Armenmittemeine Unterstützung empfangt, sich aus Arbeitsscheu weigert die ihm von der Behörde angewiesene, seinen Kratten angemessene Arbeit zu verrichten.

§ 36r.8. Mit Haft wird bestraft: Wer nach Verlust seines bisherigen Einkommens binnen der ihm von der zustandigen Behörde bestimmten Frist sich kein anderweitiges Unterkommen verschafft hat und auch nicht nachweisen kann, dass er solches durch die von ihm angewandten Bemühungen nicht verursacht hat.

De laatste paragraaf werd door Bodelschwingh *) „ungerecht, unvernünftig und grausam" genoemd, omdat de onderkomen, slechts half-geschikte zwerver zichzelf geen werk en onderdak verschaffen kan, reeds om die reden, dat niemand hem die wenscht te geven. Bodelschwingh, Das Wanderarbeitsstattengesetz und § 2 des deutschen Reichsgesetzes 1907.

2) A. F. Eilerst de Haan, p. 7. De Noord-Nederlandsche Landbouwkoloniën.

») Zie daarover „Armenpflege in Amsterdam" Hoofdstuk V en VIII.

4) De oorsprong van Bodelschwingh's gedachten wordt aan de Nederlandache arbeiderskolonies toegeschreven. Wanderarbeitsstatten. Hndw. St. W. E. Munsterberg und Al. Elster.

s) Dr. G. Berthold, Die Entwicklung der deutschen Arbeiterkolonien.

") H. Munsterberg-Belgien, Das auslandische Armenwesen.

Sluiten