Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste classificatie begint in klasse B, van waaruit de allerbeste elementen na een jaar tijds bevorderd kunnen worden naar klasse A, waar zij tal van voorrechten genieten en allerlei zorg aan hunne reclasseering besteed wordt. Bij hun invrijheidsstelling heelt de Reclasseeringsvereeniging voor een plaats gezorgd, voor onderdak en voor het patronaat, dat circa een jaar zal duren. De uitgaanskas wordt in handen van het bestuur gesteld; een verbod van alcoholgebruik is vanzelfsprekend. Een groote stimulans bestaat in de „voorwaardelijke mvrijheMsstelling'', mogelijk geworden door de wet van igi51)-

De mogelijkheid om in klasse A te komen bestaat maar éénmaal in het leven van den opgezondene. Onherroepelijk wordt bij recidive die weg voor hem afgesloten.

Het vakonderwijs is voor de geschoolden zeer hoog opgevoerd, ten einde hen geheel gelijkwaardig met hunne toekomstige kameraden te maken.

Voor de ongeschoolden echter reserveert men voornamelijk wat landarbeid ;andere pogingen tot opleiding beloven te weinigsucces.

Men hoopt hiermede eene doeltreffende schifting te bereiken»).

De eerste resultaten (de reorganisatie werd in dèn zomer 1916 ingevoerd) waren zeer gunstig. Klasse A was klein, maar bij 60 a 70 % van deze groep gelukte de voorloopige reclasseering.

De overblijvenden vormen echter nog drie kwart van het totale aantal. Uit dezen worden nog de tuchteloozen afgescheiden, die in de strafklasse geplaatst worden.

De ongeschoolden, de psychisch-defekten, de willoozen, de minderwaardigen moeten na de afgelegde drie jaren echter weer aan eene gemeenschap teruggegeven worden, welke ze niet begeert op te nemen. Deze stort die groepen van ongewenschten en onbruikbaren weer uit en op die wijze begint de kringloop opnieuw — afwisselend in de werkinrichting of in de gevangenis. De armen zelf zinken hoe langer hoe dieper. De reorganisatie

12 Juni 1915, Staatsblad No. 247. ») De Belgische wet van 1891 heeft eene scheiding doorgevoerd en de afzondering bereikt van de landloopers, de beroepsbedelaars, of diegenen, welke ten gevolge van nietsdoen, dronkenschap en zedeloosheid daartoe behooren. Voor dezen zijn de Depóts de Mendicité, die ze ingevolge rechterlijke beslissingen van twee tot zeven jaren opnemen en ze aan een zeer strenge tucht en verhoogde arbeidspraestatie onderwerpen. De Maisons de Refuge moeten een tehuis vormen voor hen, die door ouderdom, ziekte en dergelijke ongeschiktheid voor den arbeid in de noodzaak zijn gebracht om te bedelen. Hier kunnen ook behoeftigen vrijwillig opgenomen worden.

Sluiten