Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

DE VERANDERING VAN WOONPLAATS.

Het schiftende, onvaste der arbeidersbevolking treedt in het bedrijfsleven als een voortdurend verschijnsel op den voorgrond. Noch het arbeidersvraagstuk, noch de armenquaestie kan het ontwijken om het gewicht van dezen factor in het sociale leven in bijzonderheden naar waarde te schatten.

Inderdaad beweegt zich in de We$t-£uropeesche landen een voortdurende menschenstroom van het platte land naar de stad. Eene uitwisseling vindt plaats tusschen naburige dorpen en-steden, van daar uit weer terug naar het land. Steeds verschuiven de elementen. De meest levendige'.iiitwisseling vindt plaats tusschen naburige gemeenten van denzelfden staat. Het aandeel aan deze verhuizing neemt af, hoe verder de gemeente ligt. Dit feit, dat meerdere malen werd geconstateerd1), wordt in de Nederlandsche statistieken bevestigd *).

Binnen dezelfde provincie nemen de kleinste gemeenten (tot 5000 inwoners) het grootste aandeel aan dén trek, wat een natuurlijk gevolg van de locale Verhoudingen is. De arbeidsmarkt is te beperkt, dan dat niet dadelijk de naburige gemeenten-bij de arbeidersuitwisseling betrokken moeten worden. Dan komt in afnemende mate de uitwisseling van provincie met provincie en daarna pas volgt die met het buitenland.

De tabellen over de jaren 1904—1913 wijzen voor Nederland voor den trek binnen dezelfde provincie slechts een onbeduidende vermeerdering aan, maar stellen een veel groot ere vermeerdering vast tusschen de provinciën onderling, evenals tusschen deze en het buitenland. iOeaaaM*

Het vèr-weg-trekken neemt sedert de laatste tientallen jaren

*) K. Bücher, Entstehung der Volkswirtschaft; G. Hansen, Diedrei Bevölkerungsstufen; A. Wirminghausen, Wanderbewegung. Hdw. St. W. *) Jaarcijfers 1913, p. 18.

De trek

Sluiten