Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Ooizaken van het vertrek van het platte land.

OORZAKEN EN GEVOLGEN DER VERANDERING VAN WOONPLAATS.

Gaat men de oorzaken na, welke tot migratie dwingen, dan ontwaart men eenè bonte mengeling van individueele motieven, welke echter op één punt samenkomen: het zoeken naar betere bestaansvoorwaarden. Het overgroote deel der migreerenden tracht alleen zijne materieele levensomstandigheden te verbeteren, een ander deel wordt door de stad als beschavingscentrum, als brandpunt van intellectueel en geestelijk leven aangelokt. Allen echter worden aangegrepen door een streven om vooruit te komen, door een verlangen naar grootere vrijheid voor het individu, naar een breed terrein, waar deze persoonlijkheid zich kan ontplooien.

De redenen, welke de groep der oeconomisch zwakke emigranten tot het verlaten van hun kleine woonplaatsen dwongen, kunnen voor de landbouwende bevolking op de volgende wijze samengevat worden.

De Nederlandsche landbouw bestaat voor het allergrootste deel uit middel- en kleinbedrijf. Meer dan de helft' der landbouwbedrijven, 50.4 %, hebben slechts een oppervlakte van 5 H.A. en minder; 47.11 % hebben een oppervlakte van 5 tot 50 H.A., 1.6 % meet 50 tot 100 H.A. en slechts 0.1 % beslaat eene oppervlakte van meer dan 100 H.A. Het grootbedrijf is dus bijna onbekend.

Van de ruim tweehonderd duizend bedrijven wordt de helft door de bezitters,de andere helft door de pachters bestuurd1). Tegenover 209.156 zelfstandige landbouwers (106.324 eigenaars en 102.832 pachters) telde men in 1910 375.000 landarbeiders *). Al naar de bodemgesteldheid of naar den aard der cultuur van de provincie en naar haar, volgens tradities gehandhaafde verdeeling van het grondbezit, ontwikkelt zich de toestand in alle mogelijke vormen.

J) Resp. 50.83 % en 49.17 % van 209.156 bedrijven. *) Telling van 20 Mei—20 juni 1910. Jaarcijfers 1913-

Sluiten