Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Nederlandsche erfrecht, dat alle kinderen voor gelijke deelen erfgerechtigd verklaart, heeft ten gevolge gehad, dat eenerzijds eene zeer groote land verdeeling plaats heeft1), anderzijds wordt door notarieele acte hef voortbestaan van de geheele hofstede verzekerd. De broers en zusters worden voor hun deel uitgekocht — de ouders geven dikwijls bij hun leven hun bezit weg en koopen zich daarmee bij den erfzoon tot aan hun dood in*).

Deze overervingszede bestaat bij de afzonderlijk gelegen hofsteden (Provincie Groningen, Overijssel, Gelderland).

Gewoonhjk is de taxatie onder de eigenlijke waarde, waardoor de schadeloosstellingen, welke de wet aan de jongere broers en zusters toekent, niet zoo groot zijn, dat de kooper van de hofstede deze niet zou kunnen uitbetalen.

In Noord-Brabant en Limburg vindt weer eene zeer groote versnippering plaats. Ofschoon daar de meenten, welke particulier eigendom van de dorpen zijn geworden, tot nu toe meerendeels onverdeeld zijn gebleven, heeft de gelijkgerechtigheid der kinderen in het erfdeel tot een toenemende verdeeling van de vaderlijke hofstede geleid. De eerbied voor de nog levende ouders heeft veroorzaakt, dat de erfenis bij hun leven bijna altijd onverdeeld bleef. De broers en zusters, die de hofstede verlaten, moeten zich dan eveneens meestal met een zeer kleinen bruidsschat behelpen. De verdeeling leidt echter bij de kleine boeren zonder vermogen tot verkoop der hoeve. Voor deze is de verkoop van de hofstede na den dood der ouders regel — het land gaat dan in het bezit der omwonende boeren over — of de geheele hofstede wordt door kapitalisten uit de stad opgekocht. De gevolgen van deze gewoonte bij erfenisverdeeling is, dat in de genoemde provinciën de grootte der hoeven voortdurend afneemf en dat een groot aantal per-

l) In de dorpen met verspreid grondbezit bv. kon het denkbeeld van de ondeelbaarheid van het vaderlijke erf nooit een vruchtbaren bodem vinden, want de in het gemeentegebied verspreid liggende hofsteden, die reeds door deeling der dorpsweiden ontstaan waren, leverden geen bezwaar op voor eene verdere verdeeKng. Het groote aantal landerijen, dat in het begin der 19e eeuw nog onverdeeld bestond, de behoefte aan nieuw land ter cultiveering, noodzaakte in 1886 tot het uitvaardigen van eene wet, die tot verdeeling der landerijen dwong zoodra slechts één landeigenaar zijn aandeel opeischte al was dit nog zoo klein. Dat leidde tot eene oplossing van vele landerijen in gelijke deelen voor de erfgenamen. (Wet van 10 Mei 1886Stbl. No. 104). "

) Algemeen overzicht van den oeconomischen toestand der landarbeiders in Nederland. Staatscommissie voor den landbouw B, p. 344.

Het erfrecht.

lis

Sluiten