Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderstaande tabel toont over de jaren 1882—1905 een vermeerdering van het aantal belastingplichtigen, die in iedere klasse op 100 berekend zijn.

Het aantal van diegenen met het minst belastbare inkomen toont een vermeerdering aan:

In de Inkomstenklasse van f 700 van 91.4 op 442.3

" " " » " 800 m 117.5 330.1

» - ï'000 „ 91.2 jjj 166.1

" " " » - 1:200 „ 106.4 183.5 Totale vermeerdering 99-1 op 228.5

Aangeslagenen over de klasse

U2-200 • ïoi.o op 133

vermeerdering bevolking 103.0 op 152.6

Deze beweging heeft zich in de latere jaren gehandhaafd

Het aUerduideïijkst blijkt hier de enorme vermeerdering der twee laagste belastingklassen, die klassen, welke het gemiddelde arbeidersloon vertegenwoordigen. In absolute cijfers stegen de aangeslagenen van 1882—1911 in de klassen van f 600—f 1000 inkomen van 19.176 personen op 69.992, in de volgende klasse f ï.000—f 2.200 slechts van 11.253 op 25.801.

Er blijkt dus eene opvallende verschuiving van inkomsten ten gunste der laagste klassen te hebben plaats gehad; een veel grooter aantal wordt uit de niet-belastbare klasse in de belastbare geschoven. Het is een onbetwistbaar vaststaand feit, dat de welgesteldheid der laagste klassen aan het toenemen is, een feit, dat ook in het buitenland evenzoo plaats heeft.

Waar de oeconomisch sterkere klassen in eene stad echter vervangen worden door talrijker zwakkere, begint eene verschuiving in de koopkracht der gezamenlijke bevolking en oefent haar invloed uit op de geheele wijze van voorziening in de stadshuishouding.

Voor de armenzorg is zij van de hoogste beteekenis, eenerzijds wordt de onderste klasse oeconomisch op een hoogeren trap geheven, anderzijds zal het aantal bijdragen der welgestelden eene vermindering ondergaan, terwijl toch alle waarschijnhjkheid bestaat, dat op hunne liefdadigheid een sterker beroep gedaan zal moeten worden.

J) Gemeentelijke Inkomstenbelasting 1909—1911. Gepubl. 1914.

Sluiten