Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eene discipline in de oude kerk moet daaraan worden toegeschreven, dat in den eersten tijd geen christehjke overheid aanwezig was, welke deze taak op zich nam. Zoodra de Staat zich bewust was van zijn plichten te dezen opzichte, moest de Luthersche kerk zich van deze taak ontlasten, om des te zuiverder haar eigenlijk karakter te bewaren1).

De Luthersche kerkelijke tucht moest, wanneer ze eventueel uitgeoefend werd, speciaal tot het zieleheil van den betrokken enkeling dienen en bedoelde niets anders *).

De zichtbare kerk is dus voor den lutheraan hoofdzakelijk slechts eene godsdienstige gemeenschap. Hij brengt niet alleen daar zijn christehjke overtuiging tot mtdrukking, maar overal waar zijn leven zich afspeelt, waar dit ook zijn moge.

De kerk is voor hem een der vele verschijnselen van de gemeenschap, maar niet de gemeenschap zelf. Hare inrichting is daarom met eene gewetens- en geloofsquaestie. De zaken Van geweten en geloof behooren tot de onzichtbare kerk, niet tot de zichtbare; deze laatste is een historisch verschijnsel. De sociale orde en dé inrichtingen, welke in de Heüige Schrift zijn beschreven, kunnen reeds daarom niet bindend voor haar zijn, omdat de voorwaarden, waaronder ze ontstaan zijn, en waarin ze hare rechtvaardiging vonden, sedert dien volkomen veranderd zijn.

Staat eene kerk als organisatie boven hare leden, dan is zij eene stichting, niet eene vereeniging. Bij eene stichting zijn de gezamenlijke leden niet dragers van een Wil, maar het object van een wil, zij kunnen het doel der kerk niet veranderen. De vertegenwoordiger van de stichting ontvangt zijne bevoegdheid uit een bron, die buiten het geheel bestaat, welke hij dus onafhankelijk van dit geheel uitoefent •). Eene kerk kon in hare regenten als stichting blijven voortbestaan, zelfs wanneer hare leden uit

' 0 ?- bij Mnscuhis (Bern) in een brief aan Builing van 29 Mei 1553 dr. K. Rieker, lirundsatze Reforrruerter Kirchenverfassung, p. 65. *) Sohm, Kirchenrecht, p. 644.

*) Reeds bij de kerkelijke stichtingen van de Middeleeuwen veranderde de deelneming aan het stichtingsbestuur in een toezicht op het, haar niet meer toekomend, beheer over het vermogen. De, voor het bestuur der stichting bestemde, blijvende personenvereenigmgen waren collegiale besturen van inrichtingen geworden, welke hun bevoegdheden en hulpmiddelen zelf regelen konden. De zich binnen de Katholieke kerk vormende bijzondere instellingen werden beschouwd als de wibvertakkingen van een hoogeren algemeenen wil. In het kanonieke recht was iedere kerkelijke mstelhng slechts de zelfstandig geworden draagster van den gelocaliseerden en geindividualiseerden Goddelijk-kerkelijk-algemeenen wil.

VAN MANEN.

Sluiten