Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke verandering; de groote steun der overheid bij het verkrijgen der kerkelijke zelfstandigheid met eigen organisatie drong het kerkelijke zelfbestuur terug en leidde tot het instellen van kerkelijke wetten van overheidswege en tot den stichtingsvorm der Luthersche kerken *).

Ook de aanvankelijk vereenigingsvorm der Luthersche kerk te Amsterdam ging in de 17e eeuw in dien eener stichting over •).

De onderlinge gemeenschapsband werd verbroken. In haar plaats was de macht der besturen gekomen.

Daartegenover staat, dat ook de stichting aan twee zeer wezenlijke gevaren blootgesteld is. Hare heerschappij toont zich weliswaar als een zinnelijk waarneembare, nooit twijfelachtige, ononderbroken eenheid. Hare handhaving en haar bestaan worden echter naar twee richtingen bedreigd.

Dit is het geval met betrekking tot hare samenstelling en tot haar vorm. Zoodra de organisatie te omvangrijk wordt, worden ook hier noodgedwongen plaatsvervangers en gevolmachtigden benoemd. Slechts zoolang handhaaft zich de oorspronkelijke wil

*) Gierke, Die deutsche Genossenschaft: Geistliche und Gelehrte Genossenschaften, p. 400; Die Genossenschaft in der Kirche, p. 844.

») In Nederland had de Luthersche kerk zich anders ontwikkeld dan in de naburige landen. In Sachsen .Hannover, Denemarken, enz. is de Luthersche kerk een Staatskerk geworden, in Nederland daarentegen bleef ze particuliere kerk

Op de vraag of het karakter van een Staatskerk met de echt Luthersche opvatting in tegenspraak is en daarom in Nederland juist het streven naar zulk eene positie principieel afgewezen werd kan hier niet nader ingegaan worden (Zie hieroverhet Jaarboek der vereeniging voor Luthersche kerkgeschiedenis, dr. J. W. Pont) Aanvankelijk had de Luthersche kerk in Nederland geen organisatie (id. p. 13»). Luther zelf weigerde op een verzoek van Antwerpen tot stichting van een huiskerk zijne oestemmmg (Antwerpen 1540). Na 1585 volgde overal de oprichting der huiskerken (d w z. eene met openbare, maar door de overheid erkende kerk met niet-openbare godsdienstoefeningen), waarover de ouderlingen het toezicht uitoefenden. De ouderlingen namen de plaats der overheid in, in hun handen was a.le macht gelegd (dr. J. W Pont: dus m overeeratemming met de opvatting van Rieker over de handhaving der discipline door de ouderlingen bij gebrek aan eene overheid, welke deze functie overnemen zou).

De gemeente koos deze telkens voor een jaar, evenals de diakenen, die uitsluitend VOtrt f.fïï61' Waren' 26 ^kleedden een eerepost en hun werkzaamheid beperkte zich tot liefdegaven. Op de predikanten rustte de geheele geestelijke arbeid. De huiskerk was m wezen autonoom; ze duldde geen macht boven zich en bestuurde zich zelf. De gemeente had elk recht en alle macht. Ze had dus hier den vereenigingsvorm als uitdrukking van het oorspronkelijke Luthersche ideaal.

In de 17e eeuw volgde de synodale constitutie en de geleidelijke verandering van den vereenigings- in den stichtingsvorm (zie hierover Th. J. Doméla Nieuwenhuis, Geschiedenis der Amsterdamsche Gemeente 1856) waaraan trots taaien tegenstand en harden strijd vastgehouden werd. De gemeenteleden verloren toen het kiesrecht en daarmee den laatsten invloed op de kerkelijke regeering. Slechts enkele kleine gemeenten maakten zich los van dien regel.

Sluiten