Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digen plicht van naastenliefde het lot der naasten aan te trekken en de armenzorg uit te oefenen.

Het gèheele Nieuwe Testament strekt den lutheraan tot voorbeeld, niet eenige aanhalingen daaruit, dientengevolge is bij hem de liefdadigheid niet een element alleen van de kerkelijke organisatie, en nog veel minder eene werkzaamheid, die tot eene speciale geloofsbelijdenis beperkt is. De lutheraan oefent ze daar uit, waar zijn hulp noodig is, het gevoel der naastenliefde is hem daartoe de eenige aansporing. Hij vraagt naar den nood en grijpt dan in. Hij is niet overtuigd van de volmaaktheid van zijn werk, ook niet van de volmaaktheid der kerkelijke organen, hij ziet in, dat men geen normen, die voor alle tijden dezelfde zijn, geven kan — omdat iedere wereldlijke schepping aan den invloed der tijden onderhevig is.

Daarmede is eene mogelijke verandering van de tegenwoordige organen erkend — alleen de bezieling der werkzaamheid, de naastenliefde, blijft bestendig onder het wisselende uiterlijk. Daardoor blijft het feit van kracht, dat de lutheraan ook het kerkelijk orgaan der armenzorg in geenen deele zoo beschouwt, alsof het eeuwig zou moeten bestaan. De mogelijkheid der vervorming dezer institutie in eene andere gedaante en in andere verhoudingen vindt in zijne opvattingen eene erkenning — geen ontkenning.

Voor Amsterdam mag uit het boven aangevoerde opgemaakt worden, dat ook daar, zelfs juist daar, oorspronkelijk door de Luthersche kerk voor haar lidmaten principieel geen aanspraak op armenzorg gemaakt werd — de ontwikkeling der armenzorg als een zelfstandig kerkelijk orgaan was eene historische gebeurtenis, waartoe de kerk meer door de eigenaardige plaatselijke omstandigheden gedrongen was geworden, dan uit kerkelijke overwegingen besloten had »). In hoeverre de gereformeerde opvattingen op haar ingewerkt hebben, is niet gemakkelijk na te gaan.

*) Armenpflege in Amsterdam enz., pag. 68.

Sluiten