Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereeniging d.w.z. een bond, die door de vrijwillige en uitdrukkelijk verklaarde aaneensluiting van gdijkgezinden ontstaan en van den wil van het geheel of der meerderheid l) van zijn leden afhankelijk was, maar eene instelling, waarvan de wil en het doel niet alleen boven het enkele lid, maar ook boven het geheel der leden verheven was. Ze nam de natie als een geheel, als object van kerkelijke opvoe<iing en onderwijs. Zoo gebeurde het in Genève en Schotland, waar ze „landskerken" werden en van boven af door de dragers van het openbaar gezag „ingevoerd en geregeld" werden.

De praedestinatieleer leidde er toe, dat de kerk als zoodanig in beteekenis verminderde bij de opvatting van het uitverkoren zijn, hetgeen eene verhouding tot God en niet tot de kerk vormde. Het samenkomen der „uitverkorenen" in een gezamenlijk ver' bond was de secundaire factor, welke tot de gemeenschapsopvatting leidde. Het ambt van den vertegenwoordiger groeide tot het grondwettig orgaan, dat in het gemeenschapsverbond beoogd was.

De vertegenwoordiger van de vereeniging ontvangt dus zijne bevoegdheden van den gezamenlijken wil, welke hij bij het nederleggen van zijn ambt weer aan hem teruggeeft. Zijn wil is een afgeleide wil.

Het vertegenwoordigend lichaam lost zich bij opheffing weer in het geheel op, om bij eene nieuwe verkiezing wederom uit dit geheel te voorschijn te komen.

Wanneer de gereformeerde opvatting vooropzet, dat de kerk eene goddelijke instelling is en hare ambtenaren door God beroepen zijn, dan kan ze deze functie der gemeenschap toch niet zuiver tot uitdrakking brengen — er staat dan boven de vereeniging een ander, dan het door hen zelf gestelde recht, namelijk het Goddelijke, welks in het Evangelie uitgedrukte wil voor de leden absoluut normatief is, dat dus niet een vrije wilsuiting veroorlooft,

') Het meerderheidsprincipe. De eenheidswil werd niet steeds door de, in een omvangrijke vereeniging verkregen, eenstemmigheid in «tand gehouden, maar door het meerderheidsbeginsel. In de middeleeuwen werden in de vereenigingen die besluiten, welke in het particuliere recht ingrepen, met algemeene stemmen genomen, andere niet. De erkenning van het meerderheidsbeginsel was oorspronkelijk niets anders, dan de verandering van den daadwerkelijken dwang in een rechtsdwang. De wet legaliseerde de aanspraak van den wil der meerderheid op geldigheid, omdat hij de Sterkere was en verplichtte de minderheid om zich daarbij aan te sluiten; ze moest wat de meerderheid, wilde ook willen.

Sluiten