Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt; men heeft op die wijze getracht den eeuwenlang bestaanden stichtingsvorm in een vereerugingsvorm te veranderen.

Deze kerkelijke hervorrningen kwamen uit practische overwegingen voort — ze waren juister, doelmatiger, daarom werden de bestaande wetten veranderd — de drang naar het democratische werd ook daar als rechtvaardig erkend, veelal als het juiste middel om misbruiken te weren en voor de belangen der leden te waken. De verwoestende invloed der tijden heeft echter op beide vormen ingewerkt.

Nog een zeer gewichtig kenteeken der Calvinistische opvattingen ligt buiten dit vereemgingsbeginsel in het gemeenteprincipe

Het gemeentebeginsel zegt, dat de gezamenlijke, ingezeten geloofsgenooten van dorp of stad de eigenlijke oorspronkelijke kerk vormen, dat alle kerkelijke macht alleen der gemeente macht is, dat dus alle grootere kerkelijke lichamen slechts een, van de kerkgemeente afgeleid, recht bezitten. De oud-Luthersche opvatting van de kerk is hiermee in tegenspraak, het is evenmin bij het oud-gereformeerde protestantisme te vinden (uitgezonderd voor de „kerken onder het Kruis", deze verkeerden echter in abnormale omstandigheden). De Fransche Nationale Synode van Charenton in 1644 bestreed deze opvatting zelfs% evenals de Schotsche General Assembly in 1641. De souvereiniteit der afzonderlijke gemeenten, welke alleen federatief onder elkander verbonden waren, bestaat in het oud-gereformeerd protestantisme niet. Toch is het begin •) van het zg. congregationalisme of independentisme in het Calvinisme aanwezig, namelijk daardoor, dat slechts de leden van ééne gemeente het Rijk Gods tot zichtbare uitdnildring konden brengen en zich tot een gemeenschappelijken godsdienst konden vereenigen, wat bij een omvangrijk kerkelijk lichaam niet mogelijk zou zijn.

De twee overige kerkelijke functies, die der naastenliefde en der zedelijke tucht zijn volgens gereformeerde opvatting ook alleen daar uit te oefenen, waar de wederzijdsche controle en het toezicht tot eene practische mogelijkheid wordt, iets wat aan het gemeentebeginsel een zeer wezenlijken steun verleent.

Uit het bovenaangevoerde blijkt, dat, ook in tegenstelling

j) Dr. K. Rieker, Gründsatze reformierter Kirchenverfassung, p. 8z. ) Deze opvatting van véle herkhistorici fezeer quaestieus geworden. Vgl. Burrage The early English Dissenters, 191a.

Sluiten