Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

■■'•1

Het Protesintsche kiesstelsel. 1

( l

l

"•i i

I

J

BESTUUR DER KERKELIJKE ARMENZORG.

De plaatselijke regeling.

Van belang is het nu na te gaan hoe de kerkelijke wetgeving ach in de practijk ontwikkeld heeft, welke de officieele voor.chriften zijn, welke de handelingen der drie waardigheidsbedeeders beheerschen, die met betrekking tot de armenzorg in tanmerking komen, de vcK)rschriften dus voor de predikanten, le ouderlingen en de diakenen, voornamelijk in de grootste stad /an Nederland.

Hoe is hunne verkiezing geregeld, welke bekwaamheden worlen van hen verlangd ter vervulling van hun ambtsplicht?

De Nederduitsch Hervormde Gemeente benoemt hare ambtslienaren, predikanten, ouderlingen en diakenen door middel van ;en kiescollegel), dat bijna overal door de mannelijke leden der Gemeente daartoe speciaal gekozen wordt. Slechts in enkele kleine Gemeenten nam men het actief en passief kiesrecht voor vrou-

*) Alle 10 jaren wordt sedert 1867 gestemd of men wenscht, dat de Kerkeraad zichzelf aanvult of gekozen wordt door middel van het kiescollege.

De eerste kerkverordening der hervormden in Wezel, die in 1568 door de gevluchte predikanten vastgesteld werd, bepaalde, dat met de Katholieke kerkverordening geïeel gebroken zou worden, dat niet meer „van boven af" gekozen, maar dat het volk lelf zijne predikanten en opzieners zou kiezen. Een dubbeltal werd daartoe door de oulerlingen opgemaakt. Reeds in 1571 werd dit te Emden veranderd. De Kerkeraad koos :n de Gemeente keurde „stilzwijgend" de keuze goed. In 1573 werd in Dordrecht deze nepaling gehandhaafd om elke verwarring, welke door een volksverkiezing zou kunïen ontstaan, te voorkomen. In Dordrecht werd dit coöptatiesysteem gewettigd. Deze wetgeving is nooit een principieele quaestie geweest — alleen werd de wettelijke ceuze door de kerk, dus niet door de overheid, een voorwerp van geschillen. Nadat de terkelijke wetgeving door Koning Willem I hersteld was, deed zich het streven naar len vereenigingsvorm weder gelden. Eerst in het jaar 1852 werd dit recht aan de Gemeente verzekerd en kwam in 1867 in toepassing, maar lang niet overal. De uitvoering gaat slechts langzaam in zijn werk, partijbelang beheerscht de keuze tusschen le beide systemen. Deze keuze leidt dikwijls tot grooten strijd, vooral daar, waar de verhouding van orthodoxen en modernen eene wijziging in de samenstelling van den Kerkeraad doet vreezen, welke dikwijls in den loop der tijden tot een feitelijke re?entenregeering geworden is.

Sluiten