Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dige, economische en sociaal-politieke kennis, zonder welke zijne behandeling onvolledig moet blijven.

Wendt men zich van dit probleem als algemeen verschijnsel af tot zijne behandeling van individueele gevallen, dan doen zich weer verscheidene eischen gelden: een dieper oeconomisch inzicht, een groote menschenkennis, eene aanmerkelijke practische ervaring — maar daarenboven een onuitputtelijk geduld en toewijding voor elk afzonderlijk geval. Waar bij de behandeling in niimeren zin de directe liefdadigheid op den achtergrond treedt om plaats te maken voor een warm sociaal medegevoel, hetwelk de menschen tot menschheid samenvat en voor haar werkzaam is, daar treedt bij de behandeling in engeren zin juist de onmiddellijke omgang van mensch tot mensch op den voorgrond.

De behandeling van de armenzorg als algemeen verechijnsel is eene onontbeerlijke voorwaarde voor het juiste begrip van en hulpverleening aan de afzonderhjke gevallen; beide werkzaamheden zijn de componenten van eene ondeelbare eenheid. Eene scheiding zou eene bedreiging medebrengen voor de belangen van het algemeen, die den enkeling tot nadeel zou worden.

Waar zich in Nederland nog vele kerkgenootschappen als de aangewezen organen voor de armenzorg beschouwen, moge onderzocht worden, in hoeverre zij zich hare eischen gesteld aan de organen van haar armenzorg van deze twee zijden van het vraagstuk bewust zijn.

De kerkgenootschappen onderscheiden twee soorten van hulp, zedelij k-materieele en zedekjk-geestelijke. Het vraagstuk der armenzorg wordt dus door twee Colleges behandeld, het zedelijkmaterieele door dat der diakenen, het zedelijk-^eestelijke door dat der ouderlingen. De uitoefening van deze beide soorten van hulp moet dus óf in het College van diakenen óf in dat der ouderlingen óf in dubbelen vorm tot uiting komen.

De kerken leggen voor beide soorten hulp den grootsten nadruk op de zedelijke opheffing.

Voor hare .diaconale armenzorg geldt dit streven slechts in zoover als de zedelijke toestand en de oeconomische onmacht samenvallen. Zoodra deze onmacht is opgeheven, behoort ook de zedelijke opheffing niet meer tot den plicht van de diaconale armenzorg, maar gaat over op andere organen, de ouderlingen en de predikanten. Zoolang beide samenvallen zijn de drie orga-

Sluiten