Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

üjken in dezelfde periode echter van ± 70 tot ± 55 per jaar, evenals de doopplechtigheden van 406 tot 204 terugliepen. Desondanks bleef het aantal weezen ongeveer gelijk.

Er laten zich hier twee verschillende invloeden gelden, ten eerste de neutraliseerende werking der betere oeconomische en hygiënische toestanden tegenover het stijgend aantal leden, ten tweede de invloed van den trek.

De Herst. Luth. kerk bv. neemt alleen gedoopte weezen op. Bij het dalend aantal doopelingen moet dus éen aanvulling door immigratie plaats vinden. Bij de Evang. Luth. kerk daalde het aantal der huwelijken van 284 in het jaar 1875 langzamerhand tot 149 in het jaar 1910. Bij de doopsgezinden bleef het aantal huwelijken ongeveer gelijk (± 40), maar het aantal der leden steeg van 1.224 m net jaar 1870 op 6.178 in 1910, zoo ook bij de Remonstrantsche Gemeente, waar het aantal van 973 in 1870 tot 2.763 in 1911 steeg en de huwelijken afwisselden tusschen 12 tot 20 per jaar1).

Het zou belangrijk zijn om te weten, hoeveel weezen van ouders van buiten afkomstig zijn, dus in hoeverre de immigratie hierop van invloed is. Hierover zijn echter geen nadere opgaven aanwezig. De verhouding der ter plaatse geborenen tegenover de immigranten is daardoor moeilijk te bepalen *).

De drie groepen der geloofsgenooten zijn dus aan zeer verschillende invloeden onderhevig. Bij de protestanten werken de godsdienstige factoren, bij de katholieken de oeconomische het sterkst mee.

De kerkbesturen vormen in hunne opvatting, wat de zorg voor hunne weezen betreft, nog zeer weinig één geheel. Wat tot de plicht der naastenliefde behoort wordt door ieder bestuur anders omschreven. Eenige bepalingen komen ongetwijfeld met het gebod der naastenliefde in conflict, bv. de willekeurige bepalingen van den ouderdom en de eisch, dat beide ouders lid van dezelfde kerk geweest moeten zijn.

l) Het Roomsch-Katholieke Kerkbestuur heeft het verzoek om gegevens onbeantwoord gelaten. De hier genoemde feiten zijn ons welwillend door de betrokken kerkbesturen ter beschikking gesteld.

*) Het vraagstuk van den trek der armen in zooverre het betrekking heeft op de kerkelijke armenzorg is niet met statistisch materiaal nader uit te werken — alleen persoonlijke mededeelingen geven schattenderwijs aan, dat eene voortdurende immigratie plaats vindt, doch dat de groote massa der armen er van ouder op ouder woonachtig is geweest.

Sluiten