Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het surplus aan vrouwen begint reeds met het 20e jaar en blijft bestaan tot op hoogen leeftijd; het is dus wel opmerkelijk, dat dit feit geen afepiegeling vindt in de armverzorging.

Ook hierin wijzen de statistieken een geleidelijke verandering aan. In Nederland bedroeg het aantal sterfgevallen:

Per 1000 inwoners van ieder geslacht.

Geheele Mannen Vrouwen Verschil bevolking

1840—1849 28.36 29.67 27.14 2.53

1890—1899 18.62 19.45 17.81 1.64

1916 12.89 13.15 12.63 °-52

Het verschil in sterftekansen tusschen mannen en vrouwen wijzigt zich dus ten gunste der mannen, vermindert dus zeer daadwerkelijk.

Voor de ongehuwde, dus meestal onverzorgde vrouwen, is het sterftecijfer op de meer gevorderde leeftijden hooger dan voor de gehuwden, zelfs ook dan voor de weduwen.

In het aantal verpleegden in stedelijke inrichtingen spiegelt zich echter dit feit niet af.

In de groepen, gesplitst naar de drie godsdiensten, openbaart zich tegen het einde der levensjaren natuurlijk de omgekeerde verhouding der vroegere jaren. De Israëlieten wijzen nu het grootste sterftegetal aan, de katholieken het laagste *). Dat de Israëlieten tengevolge van dien langeren levensduur door het aantal hunner armen financieel zwaarder gedrukt moeten worden, dan de twee andere groepen, is duidelijk. Ten slotte is in Amsterdam voor hen de overgang tot de Burgerlijke Armenzorg dan ook onvennijdeiijk geworden.

Het aantal verpleegden in inrichtingen wijst echter voor de Katholieken eene ongunstige verhouding aan.

In totaal van de gestichtsverpleegden teilen de katholieken één verpleegde op 125 katholieken, terwijl de protestanten

') Statistisch Jaarboek 1909. Tabel p. 12.

Sluiten