Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal aanhouden, zoolang geen schikking getroffen wordt. Het uittreden uit de kerk geschiedt door de beter gesitueerden en niet door degenen, die onbekwaam zijn iets te verdienen.

Eene voortdurende stijging vertoont zich dus in aantal en levensduur van de inwoners, onder sterken invloed van de gunstiger oeconomische en hygiënische verhoudingen. Het overschot in de hoogere leeftijdsklassen zal waarschijnlijk grooter worden, speciaal voor den vierden stand, waar het arbeidersbestaan zich onder voortdurend gunstiger verhoudingen afspeelt. Door verkorting van de werkdagen, door betere woningtoestanden, door de wetgeving ter bescherming van de arbeiders, door het stijgen der loonen, zal de vierde klasse, waaruit zooveel onverzorgde ouden gerecruteerd worden, een physisch en oeconomisch weerstandsvermogen krijgen, waardoor de geheele inkomensklasse op een hoogeren trap gebracht wordt. Het toenemend verzekeringswezen kan deze beweging gaan ondersteunen.

Tot nu toe blijkt uit de geheele sociale ontwildceling, dat het physische weerstandsvermogen het oeconomische weerstandsvermogen vooruitloopt. De verschuiving der inkomens, welke het evenwicht moet brengen, kan slechts langzaam en voorzichtig plaats vinden. Totdat deze beide factoren in evenwicht zijn, zal de armenzorg nog veel te dragen hebben. Het kruispunt van deze beide ontwikkelingslijnen is nog ver verwijderd—vooral door de toenemende gewoonte steeds jongere arbeiders werkzaam te stellen, de oudere af te wijzen, waardoor eene snelle verarming van de oudere werkloozen intreedt. De kerkelijke armbesturen hebben dus eene vermeerdering van lasten te verwachten, niettegenstaande de tijdstrooming het aantal leden doet verminderen.

De drie kerkelijke groepen verkeeren ten opzichte van de verzorging hunner ouden dus in een ongelijken toestand. De Ned. hervormden hebben als volkskerk een zwaren last te dragen. De roomsch katholieken door hunne algemeene oeconomische zwakte eveneens. Dat ook de kosten per hoofd der verpleegden in inrichtingen geen gelijkvormig beeld geven, volgt reeds uit den verschillenden'toestand der vermogens dezer stichtingen; zij wisselen af tusschen f 550 tot f 75 per jaar

Voor eene splitsing der armen in betere en mindere elementen, die in verschillende inrichtingen samen te brengen waren, is tot

*) Statistisch Jaarboek 1904, p. 317. Idem 1909, p. 327.

Sluiten