Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

DE ZEDELIJKE OPHEFFING DOOR DE KERKELIJKE ARMENZORG.

De kerkelijke armenzorg bezit sedert de vele eeuwen van haar bestaan nog andere middelen dan de materieele hulpverleening, ter wering van zedehjken of moreelen achteruitgang, oorzaak of gevolg der geleden armoede.

Naar de oorspronkelijke Protestantsche opvatting der kerkorganisatie vormden de ouderlingen het kerkelijke orgaan, dat in het bijzonder de taak op zich nam over het zedelijke gedrag van de geloofsgenooten te waken.

Predikant en ouderling hadden de zielszorg tot plicht. Ook nu treft men in de reglementen de formuleering dezer opvatting aan.

Het ambt van ouderling is hoofdzakelijk gebaseerd op de herderlijke brieven1).

De Ned. Herv. kerk, waartoe ook de Waalsche gerekend wordt heeft aan hare predikanten en ouderlingen tezamen de volgende voorschriften, welke sedert de Kerkverordening van 1618—1619

») Het ambt werd het eerst in de Handelingen der Apostelen n: 30 als reeds bestaand vermeld: de discipelen besloten geld in te zamelen „en zonden het tot de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus". In Tim. I vindt men de eischen 3

Een opziener dan moet onberispelijk zijn, eener vrouwe man, wakker, matig eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren". 3:3: „Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil gewinzoeker; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. 3 :4: „Die zijn eigen huis wel regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid". 3:5: „Want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?" 3 : 6: „Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle." 3-7-

En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat

w"!f, T^J? smaadheM' en m <I«» strik des duivels." I Petrus 5 : 2 vermaant: „Wijdt delkudde Gods, die onder U is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang "iT^r g ]k; nOCh om ^ «ewin> maar met een volvaardig gemoed." 5 ■ 3'

Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde." Romeinen 12 : 8: „Wie opziener is zij ijverig."

voor de twistvragen over de ambten en de onzekerheid aangaande hun afzonder»* bestaan verwijzen wij o.a. naar: G. Uhlhorn, Die Christliche Liebestatigkeit, I Hfdst 4- Riekert, Grundsatze, eet. Hfdst. III. Dr. H. Bonman, Het ambt der Diakenen. P. Biesterveld, Het Diaconaat I, Hfdst. II. Sohm, Kirchenrecht I

De plichten der predikanten en ouderlingen.

Sluiten