Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gevolgen na de inwerkingtreding der wetten zullen slechts zoo langzaam kenbaar worden, dat voorloopig reeds uit dien hoofde eenige invloed op het armwezen voor uitgeschakeld moet worden beschouwd. Eerst de kinderen van die generatie, welke onder vigueur dezer wetten zijn groot geworden, zullen ten volle de zegening ervan bewijzen.

De eenige Rijksregeling, welke ingevoerd werd, was Art. 369—370 van de Wet op de Ouderdomsverzekering, waarbij eene premie-vrije ouderdomsrente werd toegekend „aan hem, die bij het mwerkingtreden van het artikel 70 jaar of ouder is en aannemelijk maakt, dat hij in de ïo jaren, onmiddeUijk voorafgaande aan het inwerkingtreden van dit artikel of aan de vervulling van zijn 70ste jaar, gedurende minstens 156 weken verzekeringsphchtig zou zijn geweest, indien de verzekering bij den aanvang van dit tijdvak reeds was ingevoerd (art. 369).

Dit artikel is ook van toepassing op dengene, die na het inwerkingtreden van art. 369, 70 jaar oud wordt, en eveneens in die tien voorafgaande jaren 156 weken verakeringsplichtig zou zijn geweest (art. 370).

De invloed, welken deze regeling op het armwezen zou hebben, het zich niet duidelijk voorzien. Na eenige jaren gewerkt te hebben trad langzamerhand eenig resultaat te voorschijn.

Financiën verklaarde alleen mede te werken tot eene mondelinge behandeling der Wet op de Ouderdomsrente na verschijning van het Voorloopig Verslag over het Ontwerp-Pensioenbelasting, werd een voorstel tot uitstel der behandeling geweigerd. De Minister van Financien trad af. Op ia Febr. 1916 ging de zorg voor de uitvoering van de Ziektewet, de Invaliditeits- en Ouderdomsverzekering, Radenwet. en Ouderdomsrente over naar bet Departement van Waterstaat. . .

De Invaliditeits- en Ouderdomsverzekering ondervond nog eene afzonderlijke behandeling.

.Bij K. B. van ia Juni 1913 (Stbl. 272) was bepaald, dat artt. 369—370 van de Invaliditeitswet 9 Dec. 1913 in werking zouden treden, hetgeen geschiedde. Den asen Febr. 1916 werd een Wetsontwerp tot Wijziging van art. 411 voorgesteld, waarbij de inwerkingtreding der resteerende artikelen werd verlengd tot 6 jaar (d.w.z. 6 jaar na 3 Dec. I9i3=id. 1919). Deze Wetswijziging werd 28 Juli 1916 door de Ie Kamer aangenomen.

Het Wetsontwerp van 22 Mei, behelzende technische wijzigingen van de Radenwet, werd aangenomen. De gelden echter noodig voor uitvoering der Wet, dus noodig voor de invoering der sociale verzekeringen 1913, werden geweigerd. De meerderheid van delle Kamer wenschte per slot de Radenwet niet, of na belangrijke wijzigingen ingevoerd. Het Wetsontwerp regelende het verband tusschen Invaliditeits- en Ouderdomswet, de zg. „Aanpassingswet", het Wetsontwerp op de Ouderdomsrente werden 17 Juli 1917 te zamen met het Wetsontwerp tot Wijziging van de Radenwet door de Ie Kamer voor vervallen verklaard wegens ontbinding van de Staten-Generaal.

Den 24en Juli 1917 besloot de He Kamer deze drie vervallen Wetsontwerpen weer opnieuw in te dienen — hetgeen werd uitgesteld tot na de verkiezingen van Juli 1918.

Sluiten