Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIV.

DE BURGERLIJKE ARMENZORG.

Het Burgerlijk Armbestuur neemt al die armen onder zijne hoede, welke door de kerkelijke em particuliere hefdadigheid aan hem worden overgelaten. Het is de laatste uitkomst, de laatste redding voor alle onmachtigen in den strijd om het bestaan

Het verleent slechts ondersteuning „aan hen, die zich het noodzakelijk levensonderhoud niet kunnen verschaffen, en het, hoewel een verzoek daartoe gedaan is, niet ontvangen van anderen, tengevolge de wet tot het verstrekken daarvan gehouden, of van kerkelijke, bijzondere of gemengde instellingen (Art. 28, Armenwet 1912).

Alle inwoners van Amsterdam kunnen die hulp inroepen.

Het aantal armen neemt toe, niet alleen door aanwas binnen de stadsmuren, door ontplooiing der stad en der ingezeten bevolkingslagen.

Naast de vaste kern, het grootste deel, de ware„huiszitten",stijgt en daalt de andere, beweeglijkermassa door toevloed van buiten.

Te voet, zelden per spoor, meestal met de trekschuit, het schamele boeltje bijeengepakt, komen zij binnen aan singel of gracht. De schipper zet zijn vrachtje aan wal — zij staan op de straatsteenen van Amsterdam, voor velen het land van belofte.

Het hoofd van het huisgezin moet zijn verhuisbiljet inleveren; dikwijls bezit hij dit niet eens. Hij en zijn gezin zijn inwoners van Amsterdam geworden.

De vaste, zoowel als de beweeglijke massa der Amsterdamsche armen vindt een complex van inrichtingen te hunnen behoeve, welke van oudsher hun werk verrichten.

De Inrichting voor Stadsbestedelingen herbergt alle kinderen zonder verzorgers — zoowel permanent als tijdelijk. De weezen, die niet in het Burgerweeshuis behooren, de verlaten kinderen, de vondelingen, de zg. gasthuis- en armenhuiskinderen, dus zij,

Sluiten