Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Rijksverslagen begonnen met dit in de armenzorg bekende feit reeds vroeger rekening te houden.

In 1900 meldt Amsterdam, dat het afschuiving vermoedt en het volgend jaar herhaalt het die klacht nog eens. In 1902 spreekt het weer het vermoeden uit, dat die afschuiving plaats heeft met het doel, gebruik te kunnen maken van de ziekenhuisverpleging. Men vermoedde ernstig, dat aan de armen in andere gemeenten de raad gegeven werd, naar Amsterdam te verhuizen en dat daarbij soms de behulpzame hand werd geboden. Omdat men nog niet rjeschikte over stellige bewijzen, werd de mededeeling nog zeer voorzichtig geformuleerd. In 1907 werd strenger ingegrepen. Een geschil hierover werd bij de Kroon aanhangig gemaakt, over andere feiten werden de Gedeputeerde Staten ingelicht of dadelijk de betrokken gemeenten; steeds echter'zonder succes.

Deze algemeene politiek der kleine gemeenten, om zich aanhaar ondersteuningsphcht te onttrekken, viel in het bijzonder te constateeren *) voor daar onbekende, doortrekkende personen.

Deze personen trekken echter allen naar Amsterdam. In één jaar bv. werden in het Armenhuis niet minder dan 135 personen in het jaar van hunne vestiging opgenomen. Het aantal der in Amsterdam geboren verpleegden in het Armenhuis neemt voortdurend af.

Weldra wordt het zoo algemeen bekende feit positief uitgesproken; er komen besliste gevallen van afschuiving voor, de gevallen, die bekend werden, zijn niet de eenige voorkomende, maar slechts de weinige van de vele gevallen, die geheim ter kennis van het gemeentebestuur gebracht worden.

In het Armenhuis, waar de bedeelden slechts in den allergrootsten nood opgenomen worden, wanneer hun blijven in de samenleving onmogelijk is gebleken, waren in 1906 gemiddeld 12 % der verpleegden korter dan 3 jaar in de gemeente woonachtig. In 1910 was dit tot 17.6 % gestegen*). Wanneer men bedenkt, dat bv. op een aantal van ± 850 inwonenden 400 personen gebrekkig waren (zonder echter voortdurend geneeskundige hulp noodig te hebben), 350 invaliden en ongeneeslijke zieken en maar 100 niet-invahden waren, — en van alle deze 73 % meer dan 60 jaar

»J L. n. V. deelt in haar jaarverslag van 1917 mede: In de nabijgelegen kleine gemeenten geven de burgemeesters scoorkaarten aan hulpbehoevenden, opdat deze in Amsterdam geholpen worden.

2) Stat. Meded. Armenzorg in Amsterdam 1906—1907—1910.

Sluiten