Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 13. 1. De besturen van de instellingen van weldadigheid zenden jaarlijks aan den armenraad en, bij gebreke daarvan, aan Burgemeester en Wethouders, binnen een door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen termijn, opgaven van het aantal bedeelden of verpleegden, van de inkomsten uit bezittingen, makingen, collecten, subsidies of andere vrijwillige-bijdragen alsmede van de uitgaven voor onderstand van allerlei aard, voor beheer en voor andere doeleinden gedurende het laatst afgeloopen dienst- of kalenderjaar.

2. De besturen van de burgerlijke en gemengde instellingen verstrekken bovendien alle opgaven, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken gevraagd.

3. De opgaven van het aantal bedeelden en verpleegden en van de uitgaven voor onderstand van allerlei aard worden verstrekt naar eene bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen indeeling.

4. De opgaven, in dit artikel bedoeld, worden door den armenraad of door Burgemeester en Wethouders gezonden aan Onzen voornoemden Minister.

Art. 16. 1. Gelden, die moeten worden geacht bestemd te zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke in eene gemeente door armeninrichtingen worden bedeeld, worden door den armenraad en, bij gebreke van dezen, door Burgemeester en Wethouders verdeeld onder de kerkelijke, bijzondere en gemengde instellingen van weldadigheid in verhouding van de gelden, door die instellingen voor ondersteuning besteed.

2. Bij algemeenen maatregel van bestuur worden nadere voorschriften voor die verdeeling gegeven.

HOOFDSTUK III.

VAK DB ARMENVERZORGING DOOR BURGERLIJKE INSTELLINGEN EN DOOR DE BURGERLIJKE OVERHEID RECHTSTREEKS.

Eerste Afdeeling. Van de ondersteuning.

Art. 28. Ondersteuning kan slechts worden verleend aan hen, die zich het noodzakelijk levensonderhoud niet kunnen verschaffen, en het, hoewel een verzoek daartoe gedaan is, niet ontvangen van anderen, ingevolge de wet tot het verstrekken daarvan gehouden, of van kerkelijke, bijzondere of gemengde instellingen.

Art. 29. 1. Indien ondersteuning wordt verleend, wordt zij verstrekt in zoodanigen vorm en zoodanige mate, als met het oog op de behoeften en de persoonlijke eigenschappen in verband met de omstandigheden van den arme het meest gewenscht is om hem wederom in staat te stellen, in het onderhoud van zich en zijn gezin te voorzien.

2. Aan armen, die tot arbeiden in staat zijn, wordt ondersteuning zooveel mogelijk gegeven in den vorm van loon voor arbeid.

3. Indien blijkt, dat de aanvrager door de hulp der instelling niet uit den toestand van armlastigheid kan worden opgeheven, mag de te verstrekken ondersteuning de grens van het voor het levensonderhoud noodzakelijke niet overschrijden.

4. De ondereteuning wordt telkens toegekend voor een bepaalden termijn. Ondersteuning in den vorm van bedeeling in geld of in natura gedurende zekeren tijd kan telkens voor niet langer dan ten hoogste drie maanden worden toegekend.

Art. 30. Het bestuur van de burgerlijke instelling en, bij gebreke daarvan, Burmeester en Wethouders van de gemeente, waar de arme zich bevindt, beslissen zonder beroep op het verzoek om ondersteuning. Indien de ondersteuning gepaard gaat met plaatsing van den arme in eene andere gemeente, wordt de arme met betreUong tot de voortzetting van de ondersteuning telkens geacht zich te bevinden in de eerstbedoelde gemeente.

Art. 31. Indien de arme reeds ondersteuning ontvangt van eene andere instelling van weldadigheid, wordt over het verzoek om ondersteuning niet beslist, dan nadat

Sluiten