Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermoedelijke aanlegkapitaal. Mocht het aanlegkapitaal meer bedragen dan vermoed werd, dan zouden rente en aflossing van het meerdere ten laste der exploitatie-rekening gebracht mogen worden, zoolang de aandeelhouders minder dan 4^, % winst zouden genieten. Tevens werd een andere regeling van de terugbetaling der door den Staat gedane voorschotten voorgesteld.

Omtrent de lijn Djokja—Tjilatjap werd aangenomen dat de lijn zou loopen-van Djocjakarta naar Keboemen, „langs de vallei van de daar „langs stroomende rivier over den bergrug bezuiden den Serajjo, waar „deze bij de dessa Seronga 456 Meters hoog is, loopt van daar 3 Kilo„meter bewesten Madjaklak naar een punt aan den grooten postweg V/2 „K.M. ten westen of beneden Bandjarnegara, dat 290 M. boven de zee ligt. „De weg van Bandjarnegara naar Banjoemas, 48 K.M., daalt geleidelijk". Van Banjoemas zou de lijn via Djatie Lawang de richting op Tjilatjap nemen. Deze hjn, die 28 KM. langer was dan een hj'n door Zuid Banjoemas, werd wegens het te verwachten groote locale verkeer gewenscht geacht. O De finantieele grondslagen der ontwerpconcessie kwamen in hoofdzaken overeen met die ontwikkeld in den brief van 31 Dec. 1874 No. 869, welke in Hoofdstuk I § 12 van deel III behandeling vond.

De Minister antwoordde bij missive van 10 Januari 1876 Lett. A8 No. 41, zich daarbij onthoudende van eenige beschouwing over de nietzakelijke ontboezemingen der N. I. S. M. Het voorstel tot wijziging der concessie S. V., teneinde die ook uit te strekken over de lijn Solo— Madioen, werd geheel onaannemelijk verklaard. Ook tegen het voorstel in zake de concessie Djokja—Tjilatjap waren ernstige bezwaren. De heer van Goltstein besloot zijne beschouwingen over de lijn Djokja— Tjilatjap aldus:

„Aan dit voorstel kleven niet zóódanige bezwaren als hierboven „werden besproken, maar wel bezwaren van anderen aard. De finantiele „grondslag der bij Uwe missive gevoegde ontwerp-concessie wijkt slechts „weinig af van dien, welke in Uw adres van 31 Dec. 1874 No. 869 voor „concessiën in het algemeen werd aanbevolen, en het is U bekend dat de „Regering zich met de strekking van dat adres volstrekt niet heeft „kunnen vereenigen. Wanneer alleen gelet moest worden op het staats„belang, dat bij het tot stand komen eener spoorwegverbinding tusschen „Tjilatjap en Djokjokarta betrokken is, zou ik dan ook niet aarzelen Uw „voorstel af te wijzen en mij te houden aan het plan, bij de wet van „6 April 1875 (Stbl. No. 61) door de Regering te kennen gege,;ven, om te bekwamer tijd zoodanige verbinding van Staatswege tot „stand te brengen. Te meer omdat de door U ontworpen rigting leidt „tot hoogst aanzienlijke uitgaven, die niet bij iedere verbinding van de „beide genoemde plaatsen noodig zijn. Evenals het voor de Maatschappij

1) Zie Indische Spoorwegpolitiek deel I Hoofdstuk II § 1 bldz. 80 e.v.

Sluiten