Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king hebbende: a op de overdracht der lijn Batavia—Buitenzorg, 6 op do bestaande concessie S.|V. en de spoorversmalling, c op de concessie Solo— Madioen en d op de concessie Djokja—Tjilatjap met beding dat bij verwerping van één der voorstellen door de wetgevende macht ook de andere zouden beschouwd worden als niet te zijn gesloten. In de tweede plaats werd vermeld dat de koop van de lijn Buitenzorg—Batavia op zichzelf beschouwd moest worden, dus niet van invloed mocht zn'n op finantieele regelingen in andere overeenkomsten. In de 3e plaats werden bedenkingen geopperd tegen de raming van de lijn Solo—Madioen, waarvoor met inbegrip der Madioensche brug ƒ 8.500.000.— voldoende werd geacht. Over dit bedrag leek 5 % garantie zonder meer voldoende. In de 4e plaats wilde de Minister zich niet verbinden om de helft der kosten van spoorversmalling voor rekening van den Staat te nemen. Een bedrag van ƒ 2500 per K.M. werd voldoende geoordeeld. In de 5e plaats werd de door de N. t. S. M. gekozen richting van den spoorweg Djokja—Tjilatjap afgekeurd en een rentegarantie van 5 % over een bedrag van ƒ 13.600.000.— toegezegd met toestemming om de rente en aflossing noodig over het meer benoodigd kapitaal ten laste der exploitatierekening te mogen brengen.

Voor het geval de N. I. S. M. op deze hoofdpunten accoord ging met de ministerieele zienswijze, werd de mogelijkheid tot nader overleg ook omtrent andere ondergeschikte punten, toegelaten.

Reeds 4 dagen later — den 25 Juni 1876 No. 391 — antwoordde de N. I. S. M., Ie dat zij bereid was de overeenkomsten te splitsen zooals verlangd werd; 2e dat zij genoegen nam met den verkoop der lijn Batavia —Buitenzorg tegen een bedrag van ƒ 5.000.000.— zonder dat er in de andere overeenkomsten van de lijn B. B. sprake zou zijn, (afdingen was uitgesloten; de som van ƒ 250.000.—, waarvan vroeger sprake was, zou vervallen en vervangen worden door eene rentegarantie over het geheele aanlegkapitaal der lijn Solo—Madioen); 3e, dat zij een aanlegkapitaal van ƒ 10.000.000.— voor de lijn Solo—Madioen noodig bleef achten met verplichting de brug over de Madioenrivier pas dan te mogen bouwen, indien de aansluiting aan het staatsnet te Madioen zou worden verkregen (nog werd verzocht rente en aflossing in sommige gevallen ten laste der exploitatierekening te mogen brengen); 4e, dat zij de spoorversmalling wenschte te doen tegen vergoeding van den Staat voor de helft tot een zeker maximum, met een vraag om overlegging van de onderwerpelijke berekening van den technischen adviseur der Regeering; 5. dat zij toestemde in het kortere tracé in zake de lijn Djokja—Tjilatjap, doch het niettemin ernstig ontried en dat met geen mindere rentegarantie dan over een kapitaal van ƒ 21.000.000. genoegen genomen kon worden, tenzij de Regeering de concessie tot Keboemen zou willen uitgeven, in welk geval dit bedrag tot ƒ 10.000.000.— zou dalen.

De Minister nam ten opzichte van deze opmerkingen in zijn schrijven van 29 Juni 1876 No. 26 een zeer tegemoetkomende houding aan.

Sluiten