Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten opzichte der lijn Solo—Madioen werd vastgehouden aan het bedrag van ƒ 8.500.000—, echter toestemming gegeven de rente en aflossing van het eventueel meer noodige te mogen brengen ten laste der exploitatierekening. Ook met het voorstel tot verschuiving van het tijdstip van aanleg der Madioenbrug werd accoord gegaan. Daarentegen handhaafde de Mi* nister de toegezegde vergoeding per K.M. spoorsmalling, wees hn' de partieele aanleg Djokja—Keboemen van de hand, doch bleek genegen het bedrag van het maximumkapitaal waarvoor rentegarantie zou worden verleend, nader te laten vaststellen zoodra een geheele opname der lijn zou hebben plaats gehad.

De ministerwisseling bracht in de onderhandelingen eenigestagnatie.4) Den Hen December 1876 (Lett. A 3 No. 39) zette de nieuwe Minister, de heer Mr. F. Alting Mees, zijn standpunt tegenover de N. I. S. M. Uiteen. In de eerste plaats koppelde hij de eventueelé aanleg van de lijn Buitenzorg— Preanger Regentschappen, waaromtrent de Wetgevende Macht nog eene beslissing zou moeten nemen — zie de §§ 2 en 3 — aan de mogelijke overname van de lijn B.|B. vast. Mocht de Staat die laatste lijn overnemen, dan was hij bereid de z.i. zeer hooge som van ƒ 5.000.000.— te betalen, welke bereidwilligheid hij als een bewijs van groote inschikkelijkheid wenschte te zien aangemerkt. Zijne Excellentie behield zich dan ook voor op dit bedrag terug te komen indien op andere punten de N. I. S. M. niet meegaande was. Op de andere verschillen met de N. I. S. M. gaf de Minister niet toe, behalve dat hij het gegarandeerde aanlegkapitaal voor de lijn Djokja—Tjilatjap verhoogde tot ƒ 16.500.000 en toestond, dat onder enkele omstandigheden de rente en aflossing van het eventueelé meerdere benoodigde aanlegkapitaal — tot een maximum van ƒ 18.000.000 — ten laste der exploitatierekening gebracht zou mogen worden.

Tegen deze zienswijze van den nieuwen Minister bracht de N. I. S. M., zoo schriftelijk als mondeling, verschillende bezwaren in, met het gevolg dat de heer Alting Mees den 9en Februari 1877 bij missive Lett. A 3 No. 1 de Maatschappij aanbood: de ontwerp-tekst van 4 overeenkomsten, een ontwerp-Koninkljjk Besluit en een ontwerp-wetsvoordracht. De Minister wees op verschillende voor den Staat zeer bezwarende voorwaarden, welke hij ingewilligd had, doch die hij in overweging gaf alsnog in voor den Staat gunstigeta zin te wijzigen, waardoor de kans op aanname door de Wetgevende Macht grooter zou worden.

Nader werd nog mondeling overeengekomen, dat aan de concessie Djokja—Tjilatjap, die van Djokja naar Magelang gekoppeld zou worden.

Den 13 Juni 1877 werden de overeenkomsten door de aandeelhouders der N. I. S. M. goedgekeurd, B) nadat een vergadering op 16 Mei t.v.

4) Minister Mr. W. baron van Goltstein trad den Hen September 1876 af, (tegelijk met den Minister van Oorlog Jhr. G. J. G. Klerck) wegens het verwerpen van de wijzigingen der Militiewet. Hij werd vervangen door Mr. F. Alting Mees, die tot 3 November 1877 het Departement van Koloniën beheerde.

5) Voor de toelichting tot de voorstellen, zie bijlage II.

Sluiten