Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III), welk laatste geschrift echter een tegenbrochure van den heer G. C. Daum uitlokte. u).

Het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs (Gedr. stukken 1877—78 II 28 No. 1), ingediend 3 Januari 1878, luidde zeer ongunstig. De tekst van dit stuk is als bijlage IV opgenomen; het was onderteekend door de heeren Mirandolle, Corver Hooft, Bredius, Vening Meinesz en Verniers van der Loeff, „woordvoerders van" — altijd volgens den Variaschrijver in de Januariaflevering 1878 van het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië — „droogstoppels, bekrompen kruideniers en chica: „nerende procureurs", deze laatste categorie opgenomen a governo van den heer L. van Woudrichem van Vliet.

De pleitbezorger voor staatsexploitatie in de Tweede Kamer, de heer Mr. L. Oldenhuis Gratama had bij het Voorloopig Verslag eene afzonderlijke Nota gevoegd, waarin hij o.m. verderen aanleg door den Staat aanbeval (zie bijlage V).

Den 18en Januari 1878 deelde de Minister van Koloniën aan de N. I. S. M. mede, „dat handhaving der overeenkomsten hem niet wensche„lijk voorkwam, wegens de bedenkingen (in het V. V.) waarvan vele door „mij worden beaamd, als om redenen van staatsbelang en bepaaldelijk „omdat wij de voorkeur geven aan den aanleg van spoorwegen in Indië „door den Staat in eigen beheer".

De Raad van Beheer wees het voorstel om de overeenkomsten te niet te doen af, waarop de Regeering de Memorie van Beantwoording indiende (Gedr. St. 1877—78. II. 28 No. 2), welke als bijlage XXI van deel I is opgenomen.

De N. I. S. M., die de verwerping der voorstellen voorzag, trachtte iets van de voorwaardelijke concessie te redden, door in Februari 1878 concessie aan te vragen voor de zijlijnen Solo-Modjosragen (26 K.M.) en Djokja—Sentoio met de bedoeling van dit laatste punt voorloopig slechts 10 K.M. 's n.1. tot Godean aan te leggen. Dit verzoek werd echter afgewezen, omdat noch Sragen noch Sentoio geschikte eindpunten waren (Mmigterieele Beschikking van 29 Juli 1878 Lett. A 3 No. 66).

Zooals in § 2 uitvoeriger behandeld zal worden had de Minister wegens den tragen voortgang, welke de Tweede Kamer met de behandeling

11) Een woord aan de aandeelhouders der Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij naar aanleiding der voorstellen tot uitbreiding^ door J. P. de Bordes weerlegd door G. C. Daum (den Haag Gebr. Giunta d'Albani).

Op bl. 6 zegt de heer Daum: „De heer de Bordes moge een uitstekend spoor-' „wegingenieur zijn, maar op de eigenschappen van spoorwegeconoom zal hij zeker ', geen aanspraak maken, daarvoor toch schijnt zijn blik te beperkt Ware hij econoom, „dan had hij ook met alle zijne medecommissarissen en den Raad van Beheer, ingeven de noodzakelijkheid die bestaat om waar jhet getij verloopt de bakens te verbetten" (zie ook noot 11 van § 1 van Hoofdstuk 1 van deel III).

Sluiten