Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„§ 5. Voor zoover de voorgestelde leening voornamelijk strekken „moet om in de uitgaven voor spoorwegen op Java te voorzien, verklaarde „de groote meerderheid met nadruk, dat zy' niet langer dan voor deugdelijk onderzoek noodig was, met de bevordering van dien spoorwegaanleg „wilde gedraald zien. Men zou, werd gezegd, blijk geven van zeer be„krompen inzigt, indien men zich van de vervulling eener zoo dringende „en reeds veel te lang onbevredigd geblevene behoefte, mogt laten weerhouden uit vrees om voor de toekomst, zij het ook zeer belangrijke ver„bindtenissen aan te gaan. Slechts enkele leden wilden, met het oog op „de tegenwoordige min gunstige finantiele omstandigheden, dat, zoo al „niet de onderhanden zijnde groote werken werden gestaakt, men zich „toch vooreerst van den aanleg van geheel nieuwe onthield.

„Indien men alzoo, wat het door den Minister beoogde hoofddoel „aangaat, vrij algemeen gaarne met hem wilde medewerken, was men „even algemeen van gevoelen, dat de voorgedragene begrooting, wat deze „aangelegenheid betreft, onaannemelijk is, vermits daardoor zou worden „gepraejudicieerd op de beslissing der Kamer over de voordragt tot goedkeuring van vier met de Nederlandsch-Indische spoorwegmaatschappij „geslotene overeenkomsten, die in Augustus 1.1. de Kamer heeft bereikt. „Onbetwistbaar staan die overeenkomsten met de thans gedane voorStellen in onmiddellijk verband. De te sluiten geldleening zou onder ande„ren, moeten strekken om de vijf milllioen te betalen, die, volgens een „dezer overeenkomsten, voor den aankoop van den spoorweg Batavia— „Buitenzorg zouden worden besteed. De aanleg der nieuwe spoórwegly„nen van Staatswege of althans de daaraan te geven rigting hangt voor „een goed deel zamen met dien aankoop en met de concessie voor de spoor„weglynen ter verbinding van Djokjokarta met Magelang en Tjilatjap en „van Soerakarta met Madioen, bij eene andere der overeeenkomsten aan „de Indische maatschappij verleend. In de toelichting tot de vier overeenkomsten wordt bn' herhaling op den onverbreekbaren zamenhang gewe„zen. Naar het oordeel des Ministers, waarvan men de juistheid voor het „oogenblik daarlaat, zou er aan verwèrping van eenig deel dier voorstelden bn' aanneming van een en ander niet gedacht kunnen worden. „Intusschen zyn deze voorstellen nog niet bn' de Kamer in overweging „geweest, veel min in staat van wy'zen. Hoe kon het dan in aanmerking „komen, dat de Kamer reeds nu zou voteren over de afdeeling van buiten„gewone uitgaven, die by' de tegenwoordige begrootingen is gevoegd, zoodanig als die uitgaven zyn omschreven, toegelicht en uitgetrokken? Mogt „het zelfs niet eenige bevreemding baren, dat de Minister aan dit belang„ry'k punt niet schy'nt te hebben gedacht en de voorgestelde begrooting „heeft gebaseerd op eene goedkeuring der Staten-Generaal, waarvan nog „niets hoegenaamd is gebleken? Men was ver van hem te beschuldigen van „een toeleg om een praejudicium ten gunste van zyne in Augustus 1.1. „gedane voorstellen te scheppen; maar dat praejudicium behoorde daarom

Sluiten