Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijzers, meen te mogen beschouwen als even zoo vele lokvogels die, aan het eind van onze parlementaire debatten, over die reeks van finantiele ontwerpen, door de Regering worden uitgehangen.

Daarom meen ik dat onze tegenwoordige beschouwing, zal zij juist zn'n, dit verband in het oog moet houden, op dien zamenhang moet steunen; en in zoover mag ik zeggen, dat al die ontwerpen in hun verband reeds bij dit ontwerp aan de orde zijn. Ja, indien er eene geheel zuivere stemming van deze Kamer zoude uitgaan, dan moesten — maar het is onmogelijk — al die ontwerpen, in één ligchaam vereenigd, aan onze goed- of afkeuring worden onderworpen, en moesten wij in één vóór of in één tegen ons oordeel over het geheel kunnen uitspreken.

Gelijk ik reeds de eer had te zeggen, staan wij hier voor een zamenstel, voor een complexus van vraagstukken over onderwerpen, die — ik behoef het u niet te zeggen — op de toekomst der Natie zullen zijn van zeer overwegenden invloed.

En dit, Mijne Heeren, op een tijdstip, dat niemand uwer zal ontkennen te zn'n van hoogst kritieken aard. Wij kunnen toch onze blikken niet beperken binnen de grenzen van Nederland; wij moeten met gespannen aandacht den hagchelijken toestand der wereld gadeslaan; en dan zal wel niemand uwer tegenspreken, dat daar buiten alle zekerheid ontbreekt, dat de vastheid van de plegtigste tractaten wankelt, dat niemand zeggen kan wat de dag van morgen, op politiek gebied, brengen zal in de groote wereldgebeurtenissen. En die gebeurtenissen gaan ons in hooge mate aan, want reeds nu is het finantieel vermogen der natie daarbij in niet geringe mate en zeer gevoelig betrokken, en wie weet te zeggen wat daaromtrent nog in de toekomst verscholen ligt!

Wn' zijn verpligt niet alleen naar buiten te zien, maar moeten tevens op onze inwendige gesteldheid letten.

De oorlog, dien wij op Sumatra voeren, is niet geëindigd. Men spreekt wel bn' deze voordragt met een vergoelijkend woord van de „„kosten der bezetting"" van Atjeh,. maar dat woord is niet juist. Ik begrijp de valsche schaamte niet om de zaak niet te durven noemen bij haren waren naam, en die naam is oorlog. Zoolang wij de XXII Moekims niet hebben ten onder gebragt, is de toestand volstrekt niet die eener eenvoudige bezetting. Telkens worden wij verontrust. De oorlog, dien wij op die wijze voeren, is misschien van den ergsten aard. Wanneer het gold een korten, krachtigen maatregel, dan ware een einde te voorzien, maar nu zijn er welligt nog jaren van uitputting mede gemoeid. En niet alleen op Atjeh; maar ook elders op Sumatra, in de Battahlanden zien wij sporen van onrust. Op Borneo is iets voorgevallen dat mede onze aandacht verdient en waaromtrent de Regering ons welligt eenige mededeeling zal willen doen. En Suriname, Mijne Heeren. De laatste debatten hebben getoond hoe de kolonie uitteert en verkwijnt. En hier te lande? Bij veel goeds, dat ik niet zal ontkennen, moeten wij er toch ook niet blind voor zijn dat een aantal

Sluiten