Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betracht in uwe politiek en in de leiding van 's lands belangen meerdere gematigdheid en zelfbeperking!

Het spreekt van zelf dat ik thans niet verder treed in beschouwingen over de leeningwet en de belasting op de successie in de regte linie; ik zal mij nu bepalen tot deze verhooging der Indische begrooting voor het loopende jaar 1878.

Voor spoorwegen wordt aangevraagd de uitgaven in Nederland te verhoogen met ƒ 600.000 en die in Indië met ƒ 2.100.000, te zamen ƒ 2.700.000, en dit, om den aanleg van Staatswege van twee spoorwegen aan te vangen.

In de tweede plaats stelt men ons voor een bedrag toe te staan van ƒ 53.000, op dat daarmede eene nieuw in te voeren belasting van personeel en patent voor Europeanen en vreemde Ooosterlingen zoude worden voorbereid.

Eindelijk eene verhooging van ƒ 2.369.405 voor de „„bezetting"" van Atjeh. Dus te zamen eene verhooging van ruim 5 millioen. Daarbij werd aanvankelijk voorgesteld om de Indische bijdrage, bij de begrooting aangewezen, geheel niet uit te keeren, en daarmede werd eigenlijk de zaak genoemd bn' den waren naam; maar nu wordt gezegd, dat zij met ruim 5 millioen wordt verminderd. De zaak blijft hetzelfde; de amputatie gaat evenzeer haar gang, alleen de patiënt wordt nu gechloroformeerd.

Nu heb ik tegen dat alles ernstige bezwaren, die ik hier kortelijk wil uiteenzetten.

Het zn'n in mijn oog alle even zoovele beslissingen die, zoo zij eenmaal genomen moeten worden, thans praematuur zijn, en die, in hun verband en zamenhang, geene andere strekking hebben dan om aan Nederland, aan het moederland, aan het volk dat wij hier vertegenwoordigen, alle uitzigt op de baten zijner bezittingen in het oosten te benemen, en tevens de vertegenwoordiging te drijven in de engte, ten einde zulks als aandrang te gebruiken tot het toestaan van de geldleening en vervolgens van de belasting.

Dit voorstel wordt daarom vooropgesteld, als een wapen in het volgend debat om ons dan te dwingen tot die maatregelen, waarvan de bespreking in dat verband daarom bij deze wetsvoordragt behoort te geschieden.

Ik kom nu tot de drie punten, vooreerst de spoorwegen Buitenzorg— Bandong—Tjitjalengka en Madioen—Blitar—Sidhoardjo, welke de Regering wil doen aanleggen door den Staat, en waarvoor zij op de loopende begrooting voor 1878 een eerste bedrag van 2 millioen 7 ton wil doen aanwijzen.

Alvorens echter die beslissing te nemen, en den Staatsaanleg dier lijnen te decreteren, behoorde, mijns inziens, te zn'n beslist over de overeenkomsten die met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij zijn gesloten.

Sluiten