Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij hetgeen wij hier voor ons hebben kondigt de Regering, in de Memorie van Beantwoording, nog verdere plannen aan, die bij de eerstvolgende begrootingsvoordragt zullen besproken worden. Ik lees daar:

„„Reeds dadelijk zal dan een voorstel aan de wetgevende magt kunnen „worden gedaan, om de lijn Sidhoardjo—Madioen, wier aanleg van Staatswege wordt voorgedragen bij de eerstdaags in te dienen supplétoire be','grooting voor 1878 door te trekken tot de residentie Soerakarta. Alvorens „te besluiten tot den aanleg van een spoorweg tusschen Tjilatjap en Djok'„jocarta van Staatswege, zullen waarschijnlijk nog gedetailleerde opnemingen moeten worden verrigt, waarmede onmiddellijk een aanvang zal „worden gemaakt.""

Maar daardoor is de zaak uit haar verband gerukt; om een rigtige beslissing te kunnen nemen moeten wij ze in haar geheel kunnen overzien. Wij hebben hier Staatslijnen die bij een volgende begrooting zullen verlengd worden. Twee geconcedeerde lijnen zijn bij ons aanhangig en de Staatslü'n raakt een der geconcedeerde lijnen in Madioen.

Het is onzinnig en ondenkbaar om dat alles te gelijk te ondernemen, maar om hier, nu wij eene beslissing moeten nemen omtrent de rigting, er maar een slag in te slaan, zonder in staat te zijn de gevolgen daarvan te beoordeelen, dat is geen verstandig overleg en daartoe mag de Kamer niet medewerken, als zij den naam wil verdienen van te zijn eene beredeneerde en verstandige Vergadering.

De vraag is: wat moet het eerst worden aangevat, welke lijn is het belangrijkst? En nu is niemand, noch de Regering, noch eenig lid dezer Vergadering in staat om aan te toonen, dat dit of dat het beste uitgangspunt is, want alles wordt ons op dezen voet met stukken en brokken voorgelegd.

Om die reden meen ik, dat het eerste gedeelte der voordragt is onraadzaam, praematuur en ongeschikt voor beslissing door eene Vergaderng als de onze.

II. Het tweede punt geldt de post van ƒ 53.000

Na tot zuinigheid te hebben aangemaand, besloot de Haagsche afgevaardigde :

„Daarom zal ik mijne stem uitbrengen tegen dit voorstel van wet; en mij evenmin vereenigen met het ontwerp eener geldleening als ook met iedere belasting die daaraan verbonden is.

Ik geloof dat wanneer dat een en ander zal zijn verdwenen, de Natie, als zij dat alles in dien zamenhang overweegt, zal juichen en zeggen: daar heeft onze Vertegenwoordiging een spooksel van ons afgewend dat ons welzijn bedreigde; en dan zal men de Regering bovenal mogen geluk wenschen dat zij van de naweeën, aan hare voorstellen verbonden, op die wijze is verlost geworden".

Sluiten