Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Mr. L. Oldenhuis Gratama sprak (Handelingen II bl. 692): „Mijnheer de Voorzitter! In strijd met hetgeen door den vorigen geachten spreker zal worden gedaan, zal ik met voorliefde mijne stem aan dit wetsontwerp geven.

Slechts twee aanmerkingen: de eerste:

Na al hetgeen door mij sedert 1871 in deze Kamer bij elke gepaste gelegenheid is aangevoerd. voor Staatsaanleg van spoorwegen op Java, behoef ik niet te zeggen, dat het mij genoegen heeft gedaan dat de Minister van Koloniën de contracten met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij niet handhaaft, omdat die contracten een uitvloeisel zn'n van het concessiestelsel dat ik in het algemeen, en althans voor Java, minder goéd acht.

Dè vorige geachte spreker heeft gezegd: gij moet in allen gevalle eerst de wetsontwerpen tot goedkeuring dier contracten afstemmen alvorens over dit wetsontwerp kan worden beraadslaagd. Zelfs meende de geachte spreker dat de Staat, volgens art. 1296 van het Burgerlijk Wetboek, zich welligt of mogelijk aan exceptien of moeijelijkheden zou kunnen bloot stellen. Voor de wijze hoe die contracten ten opzigte van de volksvertegenwoordiging buiten aanmerking zullen worden gebragt, stel ik mij geene partij: men kan het doen door den termijn te laten verloopen en ook door uitdrukkelijke afstemming.

Maar wat de vorige geachte spreker aanvoerde uit het artikel van het Burgerlijk Wetboek, over het doen door een contractant van iets wat de uitvoering onmogelijk maakt, is hier niet van toepassing, omdat de Regering en de Staten-Generaal solidair de contractant der wederpartij uitmaken, omdat dit geene voorwaarde is en het volstrekt niet bewezen is dat de Nederlandsche Staat de debiteur is. En zoolang de beide partijen gelijk tegen elkander overstaan, en er niets gedaan is wat de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij verhindert haar contract gestand te doen, is dat artikel niet van toepassing. En dat is hier het geval, nu twee magten, die solidair een geheel uitmaken, met elkander delibereren.

Ik ga terug tot de spoorwegen.

Ten tweeden male alzoo behalen de voorstanders van den aanleg van Staatsspoorwegen hier in het Parlement eene belangrijke overwinning. Ik breng den Minister mijne onverdeelde hulde, dat hij den moed gehad heeft om aan den aandrang van de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij weerstand te bieden, en vooral dat hij ons gespaard heeft voor al dat plooijen, knutselen, onderhandelen, dat ons in de afdeelingen werd voorgespiegeld als het gevolg te zullen zijn, wanneer deze overeenkomsten geheel of gedeeltelijk toch moesten worden gecorrigeerd.

Zoo het nog noodig is dit te vermelden (overigens zal ik in dat debat niet terugtreden), dan heeft het stelsel van Staatsaanleg en exploitatie dezer dagen in Frankrijk wederom een van hare vele triumphen behaald. Maar het is niet noodig dit een en ander hier breed uiteen te zetten. Het

Sluiten