Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is reeds gedaan in de Memorie van Toelichting, in mijne Nota en in vele stukken ter zake. Ik druk den wensch uit dat deze welberaden stap aan den Minister van Koloniën den weg moge banen en de aanleiding moge zijn om Java spoedig van spoorwegen te voorzien, waaraan het groote behoefte heeft. En ik kom te meer in deze schoone verwachting, omdat zelfs de voorstanders van den concessie-aanleg eene uitdrukking hebben gebezigd in het Verslag, die mij doet hopen dat zij van hun verzet in deze verder zullen afzien. Ik lees daar op bladz. 6: „„In weerwil van de inge-. „bragte bedenkingen tegen Staatsaanleg, eindigden verscheidenen voorStanders van het stelsel van concessie met de verklaring, dat, nu de MiniSter de zaak der nieuw aan te leggen spoorwegen op Java in haren tegen„woordigen toestand had gebragt en er dus, wat de voorgestelde lijnen betreft, geene andere keus overbleef dan Staatsspoorwegen of geene, die „keus voor hen niet twijfelachtig was"".

Ik houde dit eene zeer vaderlandslievende gezindheid om dat allen toch overtuigd zn'n dat Java behoefte aan spoorwegen heeft.

Mijne tweede aanmerking betreft de exploitatie der Staatsspoorwegen op Java. Het punt behoeft nu nog niet beslist te worden, maar toch is in het Voorloopig Verslag het voor en tegen behandeld.

De bezwaren tegen de exploitatie van Staatswege kqmen mij voor ongegrond te zijn. Daar echter dit punt nog niet aan de orde is, en later kan, ja zelfs moet worden beslist, zal ik mij er nu niet mede onledig houden die bezwaren te wederleggen.

Ten slotte een raad aan den Minister: wanneer de Regering geen Staatsexploitatie wil, dan zou ik haar in bedenking geven om niet meer met eene bepaalde maatschappij te onderhandelen; waardoor wy' wederom die tooneelen van knutselen en toegeven om zulk eene maatschappij kry'gen, maar om de voorwaarden te arresteren, vooral in het belang van den Staat en van het publiek en eene publieke concurrentie tusschen alle maatschappijen uit te schrijven — nieuwe en oude — wie maar genegen is de exploitatie van de Staatsbanen over te nemen. Ik geloof dat dit veel beter en regtvaardiger is dan het zich aan ééne maatschappij vast te klampen. In de exploitatie zelf komt dan ook concurrentie. Ik dring hierop te meer aan, omdat my' gezegd is dat er reeds over gesproken wordt, om de exploitatie aan de Nederlandsch-Indische spoorwegmaatschappij over te geven. Ik heb daar niets tegen, mits de concurrentie niet wordt uitgesloten. Schrijft die maatschappij het beste in, dan moet haar de exploitatie gegeven worden, maar anders niet. Overigens heb ik voor Java Staatsexploitatie liever".

Mr. J. R. Corver Hooft was mede tegen de wet. Uit zyn rede worde het volgende geciteerd (Handelingen bl. 693 en 695): .

„Mijnheer de Voorzitter! Ik kan geheel deelen in hetgeen door den

Sluiten