Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geachten afgevaardigde uit de residentie *) dezen morgen is in het midden gebragt aangaande het verband dat tusschen dit wetsontwerp en die betreffende het successieregt en de leening bestaat. Evenzeer deel ik in de verwondering die hy heeft te kennen gegeven, dat wij geroepen zijn over dit wetsontwerp uitspraak te doen, vóór dat wij het wetsontwerp aangaande de overeenkomsten met de Nederlandsche-Indische Spoorwegmaatschappij in behandeling hebben.

Ik zal dit punt niet verder aanroeren, omdat

Ik wensch dus vooreerst geen nieuwe openbare werken te helpen decreteren, maar hoop dat de Regering zich tot de onderhanden zijnde zal willen bepalen. Ik zou zelfs wenschen dat er minder waren, doch gedane zaken nemen geen keer. In de voltooiijng er van zoo hier als in Indië zal ik de Regering nietbemoeyelyken, maar dan moet ook gelden: tot hiertoe en niet verder.

Nu dit het oordeel is dat ik over het Regeringsvoorstel vel, is het voor mij onnoodig over de bijzonderheden der verschillende artikelen mijne meening te zeggen. Als ik meen dat er geen spoorwegen meer op Java moeten komen, is het voor mij vrij onverschillig of zij bij wege van concessie dan voor Staatsrekening zullen worden aangelegd, en nog veel minder wil ik het voetspoor van den geachten spreker uit Assen la) volgen en nu reeds in bijzonderheden treden over de exploitatie van die Staatsspoorwegen.

De heer Mr.. C. J. A. Heijdemïjck merkte op (Handelingen bl. 695): „De Kamer vreeze niet dat ik thans, voor de eerste maal van mijn leven, spreken zal over Indische aangelegenheden. Ik bepaal mij tot eene zeer bescheiden vraag aan den Minister. Ik behoor tot die leden, die aanvankelijk wel kunnen heenstappen over de bezwaren tegen art. 1; met andere woorden, ik ben niet ongezind mede te werken tot het doen aanleggen der spoorwegen in quaestie, maar onder eene mits, namelijk dat de voorgenomen invoering van belastingen doorga. Nu zou het kunnen gebeuren dat, nadat art. 1 was aangenomen, er een amendement werd voorgesteld om de onderafdeeling 22a uit het wetsontwerp te ligten en de belastingen te doen vervallen. Ik zeg niet dat het gebeuren zal, maar de voorzigtigheid gebiedt dit geval als mogelijk aan te nemen. Wat zou mij dan te doen staan? Stem tegen het wetsontwerp in zyn geheel, zegt men. Het kan

1) Mr. W. Wintgens.

la) Mr. L. Oldenhuis Gratama.

Sluiten