Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgevaardigde uit Dordrechtlb) deed, terug te treden in een debat over de vraag: Staatsaanleg of concessie. Het staat algemeen vast dat Indië, hoe eer hoe beter, aan spoorwegen moet geholpen worden, en nu houd ik mij overtuigd, dat, wil men dat doel bereiken, voor het oogenblik daartoe geen andere weg mogelijk is dan die door de Regering voorgesteld. Het is gebleken, dat het langs den weg der concessies bezwaarlijk zal gaan. Aan ieder lid der Vergadering is de geschiedenis bekend der contracten met de Indische Spoorwegmaatschappij. Ik geloof dat de ervaring, daarbij opgedaan, van dien aard is, dat wij niet moeten verwachten, dat men langs dien weg zal komen tot het doel. Wanneer men al nieuwe onderhandelingen wilde aanknoopen met die maatschappij, dan zou het te bezien staan of er werkelijk andere voorwaarden zouden bedongen kunnen worden dan die zijn nedergelegd in die contracten, waarover het oordeel zoodanig is geweest, dat de tegenwoordige Minister van Koloniën heeft gemeend de verdediging daarvan niet op zich te kunnen nemen. Zal men gaan onderhandelen met andere aanvragers van concessie? Het eenige zekere gevolg daarvan zal zijn, dat zeer veel tijd verloren zal gaan met inwinnen van informatien enz. Wanneer men dan ziet, dat over het onderwerp, dat thans aan ons onderzoek onderworpen is, stukken en rapporten ter lezing liggen van 1874, 1875 en 1876 — daar wordt mij zelfs herinnerd dat er stukken zijn reeds daterend van 1871 — dan wil ik gevraagd hebben wanneer men op dit oogenblik niet medegaat met de voorstellen der Regering: hoe lang zal Java nog moeten wachten, voor dat het in het bezit komt van spoorwegen, waaraan in het belang van den handel, van Nederlanders en inlanders, van het algemeen, zoo dringend behoefte bestaat?

Over de bezwaren tegen den staatsaanleg, die ook bij mjj — ik erken het — in ruime mate bestaan, zal ik derhalve op dit oogenblik niet spreken, maar in de stukken is een argument aangegeven, dat, meen ik, als speciaal bezwaar tegen deze voorstellen een enkel woord ter wederlegging verdient. Men heeft gezegd: wanneer de Staat begint met den aanleg van een paar lijnen, die nu worden voorgesteld, welken waarborg heeft men dan dat daarmede zal worden voortgegaan, welke zekerheid, dat Java in het bezit zal komen van dat spoorwegnet — als ik het zoo noemen mag — waaraan dringende behoefte bestaat?

Ik erken, in die vrees kan ik niet deelen, wanneer men getrouw blijft aan het beginsel,' dat reeds in 1869 werd uitgesproken, en dat ook deze Minister voorspelt waar hn' op bladzijde 3 der Memorie van Toelichting zegt: dat men geene andere bijdrage tot 's Rijks uitgaven uit de Indische fondsen beschikbaar mag stellen, dan nadat in de behoeften der Indische dienst is voorzien. Daarin ligt mijns inziens de waarborg, dat, wanneer de Staat eenmaal een spoorwegaanleg op zich neemt, deze daarmede ook, naarmate de behoefte blijken zal, zal voortgaan. 16) de heer J. P. Bredius.

Sluiten