Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

turn uitbrengen omtrent den aanleg der lijnen vóór ik weet dat de Minister vasthoudt aan zijne belastingplannen. Wat toch kan den Minister verhinderen mij een geruststellend antwoord te geven?"

De heer Wintgens sprak nog (Handelingen. II. bl 708):

Een enkel woord ten slotte over de spoorwegquaestie, die later nog bij het artikel zal te berde komen.

Daarbij heeft de Minister zich uitdrukkingen veroorloofd, die alles behalve parlementair waren en die ik zeker niet op gelijke wijze denk te beantwoorden.

Hü heeft gezegd dat ten onregte door mü was beweerd, dat, wanneer dit voorstel werd aangenomen, de geconcedeerde lijnen daarmede waren vervallen.

Ja, Mijne Heeren, men kan ons wel zeggen: gij kunt die overeenkomsten immers goedkeuren; maar ik vraag aan elk lid der Kamer: als dit wetsontwerp zal zijn aangenomen, is er dan iemand onder u, die dat voornemen koestert en daaraan gevolg denkt te geven? Niemand voorzeker.

Wanneer dit wetsontwerp doorgaat, en die andere voorstellen kwamen later nog in behandeling, dan zal men zonder discussie als eene bloote formaliteit die contracten verwerpen.

Men kan met ophef zeggen dat het anders is; maar ik durf een beroep te doen op het gezond verstand der Kamer, en ik vraag haar of ik in dat beweren in mijn regt ben, datt wel de Minister?

Het is hier overigens niet alleen de vraag om eene regelmatige behandeling, maar vooral om eene rigtige beoordeeling van de zaak. Men kan over dit wetsontwerp geen behoorlijk oordeel uitspreken, zonder het in verband te beschouwen met dre andere lijnen, en ik meen te mogen herhalen wat ik reeds gisteren gezegd heb: de Preangerljjn aan te nemen is onzinnig, wanneer men niet eerst in het bezit is van de lijn Batavia— Buitenzorg. Hieromtrent moeten wij eerst een vrij terrein hebben.

Het is geheel praematuur om thans over den Preangerweg te beslissen, omdat men eerst meester moet zjjn van het uiteinde van den weg te Batavia. Zonder dat compromitteert men zeer stellig en in de hoogste mate 's lands belang.

Ik zal het hierbij laten en misschien bij de artikelen nog nader mijn gevoelen te kennen geven".

De heer Corver Hooft (Handelingen bl. 711): „De Minister van Koloniën is begonnen met mij een woord van lof toe te brengen. Hn' heeft gezegd dat ik gisteren met groote openhartigheid mijne meening heb gezegd over de verhouding tusschen Nederland en Indië. B* acht mij gelukkig, dezen lof aan den Minister te kunnen teruggeven, omdat ik heden een openhartig antwoord van den Minister heb ontvangen. Wij hebben toch straks van hem gehoord dat hn' (zich beschouwde te zn'n de officiële —

Sluiten