Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdere beraadslaging verdaagd tot Maandag 13 Mei des middags ten 1 ure.

c. Zitting van 13 Mei 1878.

In de Zitting van 13 Mei 1878 sprak allereerst de heer Mr. M. H. Godefroi (Handelingen bl. 722): „Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde uit 's Gravenhage 9) heeft in de zitting van jongstleden Vrijdag een verzoek gerigt tot de regtsgeleerde leden der' Kamer, om de door hem geopperde bezwaren te overwegen, en na te gaan of zij geen stof moeten geven tot nader beraad.

Ik heb aan zyn verzoek voldaan en zijne bezwaren ernstig en met de meeste aandacht overwogen; maar, het doet my leed het te moeten zeggen, ik ben tot de conclusie gekomen dat zy volkomen ongegrond zyn.

Ik zal niet tot de algemeene beraadslaging terugkeeren, maar my bepalen tot een onderzoek der bezwaren van den geachten afgevaardigde, voor zoover zy betreffen het in art. 1 vervatte voorstel om een Staatsspoorweg aan te leggen ter verbinding van Buitenzorg met Tjitjalengka, in verband met de wijziging, die daarop voorgesteld is door myn geachten mede-afgevaardigde uit de hoofdstad. 9a)

Ik kan my echter niet bepalen tot het juridieke bezwaar van den geachten afgevaardigde uit 's Gravenhage;. ik meen ook een enkel woord te moeten zeggen omtrent zyn moreel bezwaar. Hy' meende, dat reeds de moraliteit, de loyauteit die wy' verschuldigd zyn aan de NederlandschIndische Spoorwegmaatschappij, verbood de lyn Buitenzorg—Tjitjalengka voor Staatsrekening aan te leggen, omdat het contract, waarbij de lyn Batavia/—Buitenzorg aan den Staat verkocht werd, dien Staatsaanleg in den weg staat. Goedkeuring van dien aanleg zou zyn eene daad van illoyauteit jegens de Maatschappij.

Ik veroorloof my' den geachten afgevaardigde slechts op twee feiten te wijzen. In de eerste plaats hierop: dat de vorige Regering, van wie toch waarlijk niet kan verondersteld worden, dat het haar geen ernst zou zyn geweest met het doen tot stand, komen van het contract met de Spoorwegmaatschappij, terwijl dat contract aanhangig was, by' de Indische begrooting van 1878 den aanleg van diezelfde lyn Buitenzorg—Tjitjalengka voorgesteld heeft. Die Regering zag dus hoegenaamd geen strijd, noch uit moreel, noch uit juridiek oogpunt, tusschen den aankoop van de lyn Batavia—Buitenzorg en den aanleg voor rekening van den Staat van de lyn Buitenzorg—Tjitjalengka.

Een tweede feit is dit: dat de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij, toen zy het contract sloot, waarbij de lyn Batavia—Buitenzorg aan den Staat verkocht werd, wist dat de Staat zou aanleggen eene lyn van Buitenzorg naar de Preanger regentschappen. Zy wist dit, ook daar-

9) de heer Mr. W. Wintgens. 9a) de heer dr. T. J. Stieltjes.

Sluiten