Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om, omdat de eenige raison d'être van den koop was de aanleg van Staatswege van de lijn Buitenzorg—Tjitjalengka. Bovendien, reeds in het Koloniaal Verslag van 1876, en zelfs in den tijd die aan de verschijning van dat Verslag voorafging, was het bekend, dat de Staat het voornemen had om die lijn aan te leggen.

De beschuldiging van illoyauteit zou eenigen schijn van grond hebben, wanneer hier ware voorgesteld, dat de Staat zou aanleggen de ln'n van Djokjokarta naar Magelang en Tjilatjap,'of van Soerakarta naar Madioen, terwijl aanhangig is een contract (waarover nog geene beslissing is genomen) met de Indische Spoorwegmaatschappij, waarbij de aanleg van die lijnen aan die Maatschappij is geconcedeerd. Maar hoe men bij mogelijkheid beweren kan, dat men illoyaal jegens die Maatschappij handelt, als zy' zelve wist dat bij den verkoop der lyn Batavia—Buitenzorg aan den Staat geene andere bedoeling bestond dan de aanleg in verband daarmede door den Staat eener lijn van Buitenzorg naar de Preanger regentschappen, gaat mijn begrip te boven.

Ik stap dan ook van dit punt af, want ik geloof dat de twee feiten, door mij aangevoerd, genoegzaam zyn om het verwijt van illoyauteit te niet te doen.

Maar nu den juridieken grond.

De grondslag van het bezwaar van den geachten afgevaardigde u t 's Gravenhage uit een juridiek oogpunt is art. 6 van het contract wegens den verkoop der lyn Batavia—Buitenzorg aan den Staat. Dat art. 6 luidt: „„Deze overeenkomst treedt eerst in werking, wanneer zy, voor zooveel „noodig, door de wet is bekrachtigd. Zy wordt geacht niet te zijn gesloten „als binnen het jaar na hare dagteekening die bekrachtiging geweigerd „of niet verleend is"".

Die bepaling noemt de geachte afgevaardigde eene voorwaarde, en daarom neemt hy' aan, dat uit die overeenkomst eené verbindtenis en wel eene voorwaardelijke verbindtenis voortvloeit. Hij gaat verder en zegt: wanneer de wetgevende magt besluit tot den aanleg van de lyn van Buitenzorg naar de Preanger regentschappen, met of zonder het amendement van denjreachten afgevaardigde uit de hoofdstad, dan verhindert zij de vervulling der voorwaarde van art. 6, en dan is art. 1296 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing; dan wordt de voorwaarde vervuld geacht en zou dus de Staat, al wordt het koopcontract der lijn Batavia— Buitenzorg niet bekrachtigd, verbonden zijn.

Maar ik ontken al dadelijk, dat in art. 6 eene voorwaarde vervat is, verbonden aan eene regtens reeds bestaande verbindtenis. Die verbindtenis bestaat nog niet, dus bestaat zy' ook nog niet voorwaardelijk. De geachte afgevaardigde uit Hoorn 10) heeft laatstl. Vrijdag reeds met een

10) de heer J. D. Fransen van de Putte.

Sluiten