Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kans, ja zekerheid bestaat, dat zoodanige onderneming in hare regten zou worden erkend door diegenen, welke in onze plaats zouden optreden.

De Regering beroept zich, wat den aanleg door den Staat betreft, op de verkregen ervaring. Zn' wijst onder anderen op de nog in aanbouw zijnde ln'n Soerabaija—Pasoeroean. Mij dunkt dit bewijst, minst genomen, niet genoeg. Wel is waar is er geene misrekening voorgekomen ten opzigte van de eerste en tweede sectie, respectiveln'k lang 36 en 28 kilometers, die dezer dagen in exploitatie zouden komen, noch wat den aanleg-termijn, noch wat de kosten betreft, maar daarvoor zn'n twee bijzondere redenen. En wel deze: 1° dat de aanlegkosten, vergeleken met die van de ln'n Batavia—Buitenzorg, zóó ruim genomen zijn, dat men gemiddeld aannemen kan dat zy het dubbel bedragen; er is dus voor dat deel dier ln'n eene aanzienlijke speling genomen, en 2°, omdat er bij die twee sectien geene noemenswaardige technische bezwaren zijn voorgekomen.

Nu is men met de derde sectie op verre na nog niet gereed. Op zn'n allerminst genomen, zal dit jaar althans het werk nog niet gereed komen. Dat deel dier ln'n is bovendien veel langer dan een der beide vorige sectien, 48 kilometers, terwijl men in die 3de sectie wel degelijk met technische bezwaren te rekenen heeft en het niet bekend is in hoeverre de daaraan te besteden tijd en het daarvoor aan te wenden geld strooken zal met de gemaakte détail-ramingen.

Verder zal ik in deze zaak niet treden. Ik wensch alleen nog een woord te zeggen over art. 1. en het wetsontwerp in het geheel.

Uit de gevoerde beraadslagingen en de gedrukte stukken is my' meer en meer duidelijk geworden, dat het van het grootste belang is dat men dit wetsontwerp beschouwt in verband met de wetsontwerpen betrekkelijk de leening, het successieregt en de contracten met de NederlandschIndische Spoorwegmaatschappij.. .."

De Voorzitter: de heer Mr. W. H. Dullert interrumpeerde: ,.Ik verzoek den geachten spreker niet in de algemeene beschouwingen terug te treden".

De heer de Jonge vervolgde (Handelingen bl. 725): „Zonder in de algemeene beschouwingen terug te treden, Mijnheer de Voorzitter, wensch ik de redenen aan te geven, waarom ik mij noch met art. 1 noch met het wetsontwerp in het algemeen kan vereenigen. In het algemeen ben ik een groot voorstander van het beginsel om waar het Werken geldt van algemeen productief nut, die zoo spoedig mogelijk in het leven te roepen.

Maar, zoo als in alles, is ook hier een grens, en mijns inziens is die grens op dit oogenblik zeker bereikt. Ik had wel gewenscht dat de wetsontwerpen betrekkelijk de leening en het successieregt vooraf behandeld waren, maar nu er eene andere orde is aangenomen, dient men zich daarin te schikken.

Sluiten