Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hy beriep zich op Pothier. Ook ik heb Pothier gelezen, en juist ten aanzien van die indirecte verhindering van de vervulling eener voorwaarde leert Pothier in zyn Traité des obligations het tegenovergestelde van hetgeen de geachte spreker beweert. Zie hier wat Pothier zegt:

,,„On ne peut néanmoins dire que c'est par le fait du débiteur qu'une „condition n'a pas été accomplie, et qu'elle doit en conséquenCe être répu„tée pour accomplie^ lorsque ce n'est qu'indirectement et sans dessein d'en „empêcher raccomplissement, qu'il y a mis obstacle. C'est pour cela que „Paul dit a 1'égard des conditions opposées aux legs; non omne ab heredis „persond iwterveniens impedimentum statu libero pro expleta condi„tiqne cedit"". L. 28 D. De statu libero. Derhalve ware art. 1296 toepasselijk, — en ik heb, zonder een enkel woord van tegenspraak vernomen te hebben, betoogd, dat dit het geval niet is, — dan nog zou indirecte verhindering van de vervulling der voorwaarde volstrekt niet medebrengen het gevolg, dat art. 1296 aan verhindering der vervulling verbindt. Er moet zyn volstrekte onmogelijkheid om de conditie te vervullen. Eerst dan geldt en werkt art. 1296. Maar in elk geval hier kan die bepaling nimmer van eenige toepassing zyn".

De heer J. H. Arnoldts merkte op (Handelingen. II. bl. 726): „Mijnheer de Voorzitter! Tot myn leedwezen moet ik verklaren niet met het wetsontwerp te kunnen medegaan.

De gelden voor het bouwen van deze spoorwegen worden gevonden in het overschot der Indische baten, waaraan bij de Staastsbegrooting eene wettige bestemming gegeven is.

De fondsen zijn reeds aangewezen en staan vast; daarover mag door deze Vergadering, volgens myne bescheidene meening, geen tweede maal beschikt worden.

De bestaande • tekorten op de Indische begrooting worden naar de Staatsbegrooting overgebragt, en stellen ons voor eene geldleening en eene wet van successie in regte linie.

Daarom kan ik met de Regering niet medegaan, en stem tegen de wet".

De heer van Bosse, Minister van Koloniën (Handelingen bl. 726): „Mynheer de Voorzitter! Het is my hoogst aangenaam dat de geachte afgevaardigde uit Amsterdam 12) het juridiek debat met den geachten afgevaardigde uit 's Gravenhage 13) gevoerd heeft; zijne redeneringen, zijne autoriteit zullen by' de Kamer vry' wat zwaarder wegen dan dé myne. Ik had my' voorgesteld om de juridieke bedenkingen, die ook by' my bestonden, aan de Kamer mede te deelen, maar ik zal my thans daarvan genoegzaam geheel onthouden.

12) Mr. M. H. Godefroi.

13) Mr. W. Wintgens.

Sluiten