Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door wijlen ons medelid de Brauw eene motie werd voorgesteld, waarbij die concessie mede, op sterke wijze, werd afgekeurd.

Wat deed daarop Thorbecke, die men toch nog mag noemen als een gezag, waar het op beleid van Staatszaken aankomt? Passer outre; zich er niet aan storen; dat contract ter zijde laten en het eenvoudig beschouwen als niet bestaande? Neen; Thorbecke heeft toen eerst de verwerping geprovoceerd alvorens een stap verder te zetten.

Weest daarom voorzigtig, Mn'ne Heeren, want wat gij nu welligt gaat ondernemen, is niet een van de indirecte inbreuken, waarvan Pothier gewaagt, maar eene directe schending van de koop-overeenkomst; als de Staat zelf de lijn aanlegt stelt hn' dien koop ter zijde zonder het jaar af te wachten; het is met het amendement zeggen: ik maak nu zelf de ljjn Batavia—Buitenzorg, terwijl het koopcontract met de Maatschappij die lijn aan den Staat overdroeg.

Dan kan die Maatschappij opkomen met en zich beroepen op art. 1296. Wat de spreker, naast mij gezeten, ook hebbe beweerd tot uwe geruststelling, zn' kan tot den Staat zeggen: ik houd mij aan de overeenkomst, die gij hebt verijdeld; gij zult mij óf de 5 millioen betalen óf de schadevergoeding voor de wanpraestatie hebben te voldoen. De Kamer ga daarom niet ligtvaardig te werk. ' .

Ik geef mjjn gevoelen voor hetgeen het is, maar op u rust thans de verantwoordelijkheid. Op de Regering, die deze zaak in beraadslaging brengt alvorens het contract is afgedaan; op de Kamer tegenover de natie, als zij op die wijze de zaak doordrijft".

De heer Stieltjes (Handelingen bl. 728): „Mijnheer de Voorzitter! Het doet mij genoegen, maar het is vrij natuurlijk dat de Minister mijn amendement niet als vijandig beschouwt, daar hem niet alleen de vrijheid er door wordt gelaten om op zijne verantwoordelijkheid de eene of andere rigting te kiezen, maar Zijne Excellentie tevens gesteund wordt in zijne onderhandelingen met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij. Eene breede uiteenzetting van de voor- en nadeelen van elke spoorwegrigting is, bij den stand waarin het debat is gekomen, volkomen nutteloos. Nu echter de Minister vrij breed heeft uitgemeten de bezwaren, die zouden eigen zijn aan de door mij voorgestane rigting, kan ik niet nalaten die korteln'k te verdedigen.

In de eerste plaats vergelijkt de Minister de kosten van de lijn Tandjong-Priok of Pondok-Tjina naar Tjitjalengka met die van Buitenzorg nastr Tjitjalengka.

Die geheele berekening van kosten gaat echter niet op. De afgetreden Minister wilde de lijn Buitenzorg—Batavia koopen voor 5 millioen, om het anders te dure transport der materialen voor de nieuwe ln'n langs die bestaande lijn. Bij de begrooting der ln'n Buitenzorg—Tjitjalengka moeten dus gevoegd worden de meerdere kosten van dat vervoer, waarop

Sluiten