Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1878, betreffende de uitgaven in Nederland, de onderafdeeling 41, „Spoorwegen", verhoogd met zes honderd duizend gulden (ƒ 600.000) en alzoo gebragt op een millioen drie honderd zeven en tachtig duizend gulden (ƒ 1.387.000).

„Het eindcyfer van het voormelde hoofdstuk wordt alzoo nader vastgesteld op zes en twintig millioen zes honderd zestig duizend acht honderd zeven en negentig gulden (ƒ 26.660.897)",

op verzoek van den heer Corver Hooft en andere leden in stemming gebracht werd met 54 tegen 19 stemmen aangenomen.

Tegen stemden de heeren : Wintgens, Lambrechts, van Baar, Barge, van Asch van Wijck, van Nispen tot Sevenaer, Bastert, Bichon van IJsselmonde, Schimmelpenninck van der Oye, Schimmelpennick, de Casembroot, van Wassenaer van Catwn'ck, van der Schrieck, Kerens de Wijlre, Corver Hooft, Saaymans Vader, Heydenrijck, Arnoldts en de Jonge.

Afwezig was bij deze stemming de heer van Tienhoven.

Hierna kwam art. 2 der wet in behandeling.

Bn' de behandeling van dit artikel der wet sprak op 13 Mei 1878 de heer Mr. C. J. C. Heydenrijck afgevaardigde voor Nijmegen o.m. het volgende: (Handelingen bl. 731):

„Een zeer kort woord. Het blijkt nu dat de vraag, die ik in de zitting van 9 dezer stelde, niet zoo naief was als men wel vermoedde. Ik heb het antwoord, dat de Minister mn' in de zitting van 10 dezer gaf met aandacht nagelezen. Door duidelijkheid munt het niet uit. De Minister zeide toen: „„Mogt door welke omstandigheden ook, de aanleg van Staatsspoorwegen in Indië onmogelijk gemaakt worden, dan zou ik het intusschen „onstaatkundig achten om toch die belasting in te voeren. Maar uit een „f inantiëel oogpunt beschouwd, acht ik — ook zonder het leggen van spoorwegen — de invoering wenscheln'k en noodzakelijk"". Ik geloof niet, dat die beide zinsneden op elkaar sluiten.

d. Zitting van 14. Mei 1878. Den 14den Mei kwam de heer Wintgens even op de spoorwegen terug (bl. 734). In verband met de politieke toestanden, „de vreeselijke kansen van oorlog en mogelijk misgewas", was hij bevreesd voor nieuwe belastingen en groote plannen.

De heer Fransen van de Putte (afgevaardigde voor Hoorn) merkte ten aanzien van de spoorwegen op: (Handelingen II bl. 739).

Nu heeft de Kamer, afkeurende de wijze waarop de vorige Minister van Koloniën buitengewone middelen voor het aanleggen van publieke werken in Indië scheppen wjlde, genoegen genomen met het voorstel van

Sluiten