Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de spoorwegen door middel van eene leening te voorzien. Hetgeen ik nu voorstel is een tijdelijke maatregel, genomen in het belang van den Minister van Finantien. By eene vorige gelegenheid heb ik er reeds de aandacht van de Kamer op gevestigd — en ik meen dezen morgen ook — dat wanneer men doet wat de geachte spreker verlangt, men eene operatie doet, die in het wezen der zaak geen verschil oplevert. Wanneer de geachte spreker er op wijst, dat het niet onverschillig is of de rente van zoodanige leening op de Indische begrooting komt, dan wil ik dat toegeven, maar tevens ér op wijzen, dat zoolang het stelsel bestaat van uitkeering van het batig slot der Indische begrooting aan 's Rijks schatkist, het volkomen op hetzelfde neerkomt: hoe grooter bedrag aan renten men op de Indische begrooting zou brengen, juist zooveel geringer zou het overschot — de bijdrage of het batig slot — ook zyn!

En daarom heb ik ook weinig te antwoorden aan den geachten spreker uit Almelo. 15) Ik moet dien geachten spreker ook naar dit argument verwijzen: wil men spoorwegen hebben, dan moet men geld verschaffen, en wil men geld verschaffen, dan moet men of leenen en de nog voorhanden baten aan de schatkist uitkeeren, of die baten niet uitkeeren en ook niet leenen voor Indië; zoodat het ten slotte voor de schatkist volkomen op hetzelfde nederkomt".

Nadat art. 3 met 57 tegen 22 stemmen was aangenomen en art. 4 en de beweegredenen zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming waren goedgekeurd werd nog op 14 Mei 1878 het wetsontwerp tot verhooging der begrooting van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1878, in stemming gebracht en met 56 tegen 23 stemmen aangenomen.

Voor stemden de heeren: Mirandolle, de Bieberstein, Reekers, Hingst, Idzerda, Godefroi, de Ruiter Zylker, van der Kaay, Viruly Verbruggc, van Stolk, van de Werk, Mees, Goeman Borgesius, Moens, van Eek, Schepel, Sickesz, van Harinxma thoe Slooten, van Delden, van Heukelom, van Tienhoven, van Houten, Stieltjes, Wybenga, de Bruyn Kops, Holtzman, Blussé, Verniers van der Loeff, Bredius, Rombach, de Vos van Steenwyk, Bastert, de Meyier, Oldenhuis Gratama, Heydenry'ck, van der Feltz, de Jong, Lenting, Rutgers van Rozenburg, des Amorie van der Hoeven, Röell, de Beaufort, Sandberg, van Kerkwijk, Mackay, Patyn, Luyben, Fransen van de Putte, Dy claneester, Bergsma, Gevers Deynoot, Bredius jr., Schagen van Leeuwen, Cremers, Vening Meinesz en de Voorzitter.

Tegen stemden de heeren: Barge, van Naamen van Eemnes, Arnoldts, van Asch van Wijck, van Zinnicq Bergmann, Begram, de Jonge, Saaymans Vader, Schimmelpennick van der Oye, van den Berch van Heemstede, Bichon van IJsselmonde, Wintgens, Corver Hooft, de Casembroot, Haffmans, van Nispen tot Sevenaer, Brouwers, van der Schrieck, van Baar,

15) Mr. J. E. Corver Hooft.

Sluiten