Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Finantiën zou die vijf millioen aan den Minister van Koloniën uitbetalen, „en deze zou ze d titre van bijdragen aan zijnen ambtgenoot van Finantiën „teruggeven"".

Maar, zoo vraagt men, worden de Indische bijdragen dan niet prjjs gegeven, wanneer men den eersten weg volgt? Mijns inziens, in geenen deele.

Het zou dan wel kunnen gebeuren, dat men in een gegeven jaar de Indische bijdrage geheel of althans gedeeltelijk zou moeten missen, maar daar staat tegenover, dat men dan even zooveel minder uit het provenu der geldleening ten behoeve van Indië zou behoeven beschikbaar te stellen.

Maar ik voor mn' wensch vast te houden aan het beginsel, dat het allezins rationeel, regtvaardig en billijk is, een gedeelte van hetgeen uit de Indische bronnen in 's Rijks kas is gevloeid, te bestemmen tot bestrijding van uitgaven, gedaan ten behoeve van het deel van het Rijk in Europa; en dat de Indische finantiele huishouding zoodanig behoort te zn'n ingerigt, dat onder gewone omstandigheden dat gedeelte tot dat doel kan worden beschikbaar gesteld.

Na hetgeen ik bn' eene vorige gelegenheid (Indische begrooting 1878) over deze zaak heb gezegd, zal ik daarover thans niet verder uitweiden.

Ik sprak zooeven over de Indische bijdragen.

Die bijdragen staan in verband met een vraagstuk, dat thans, ook blijkens ons Verslag, meer dan vroeger aan de orde komt, namelijk: de regeling van de finantiele verhouding tusschen Nederland en Indië. Daarover nog een woord.

Ik zal niet behoeven te verzekeren dat, wanneer met die regeling bedoeld wordt: verbetering in sommige opzigten van hetgeen te dien aanzien door de Indische comptabiliteitswet of door de praktijk is ingevoerd en vaststelling van hetgeen thans nog zwevende is, ik gaarne tot zoodanige regeling zal medewerken. Maar ik mag tevens niet ontveinzen, dat onder dien naam van regeling der finantiele verhouding tusschen Nederland en Indië, door sommigen althans, veel meer begrepen wordt dan, naar mn'ne wijze van zien, daaronder begrepen kan en mag worden.

Het is toch bekend, dat sommigen willen wat zij noemen: volledige afscheiding tusschen de Nederlandsche en de Indische finantien; me^ dien verstande dat zij wel, des noods, zouden kunnen berusten in eene zekere afkoopsom, als het ware bn' transactie tusschen twee partijen te betalen, jaarlijks door Indië aan Nederland uit te betalen; maar dal} ook met dat gevolg, dat, als er dan nog een saldo op Indische dienstjaren mogt overschieten, dit geheel zou blijven ter beschikking — ja, van wiel Van een te creëren wetgevend ligchaam in Indië, over welks zamenstelling men dan verder zou kunnen spreken, maar dat, zoo het al niet uitsluitend, uit Europeanen zou moeten bestaan, aan deze toch zeker het overwigij zou verzekere**-

8

Sluiten