Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drage op 10 millioen stel, — het cijfer doet niets ter zake — in het eene onderdeel van 's Rijks schatkist 30 millioen nutteloos zouden liggen, terwijl het andere onderdeel gebrek had en bijv. schatkistbiljetten moest uitgaven.

Daarom, aangenomen dat het rationeel en regtvaardig is dat een deel van hetgeen uit Indië in de schatkist vloeit, bestemd worde voor uitgaven, gedaan in het Rijk in Europa, is het wenschelijk, dat gedeelte bij raming vast te stellen; en daarbij tevens de formule te zoeken, waardoor de Minister van Koloniën in staat gesteld wordt dat deel van de onder zijne beschikking staande Rijkskas, zoo spoedig als de Indische behoeften dit toelaten, over te brengen tot het onderdeel, staande onder de beschikking van den Minister van Finantiën.

Over de heffing van belastingen in Indië zal ik zeer weinig zeggen. Dat bij de steeds klimmende uitgaven in Indië en bij den voorgenomen aanleg van spoorwegen aldaar, versterking van de middelen noodig is, even als hier te lande, het is my onbegrijpelijk, hoe een verstandig man dit kan ontkennen. En is het dan niet billijk, dat de Europeanen in de eerste plaats voor verhooging van die lasten in aanmerking komen? Wel de inlandsche bevolking, maar nooit hebben de Europeanen zich te beklagen gehad over te zware belasting, Zy betalen zeer veel minder dan de Nederlanders hier te lande aan 's Rijks kas en niets aan provinciale en gemeentelasten.

Het doet my leed dat de nieuwe voorgenomen belastingen by de Europeanen in Indië zooveel tegenkanting ontmoeten en niet alleen by oppervlakkige beoordeelaars, maar ook by mannen van bekwaamheid en ervaring, voor wie ik alle achting heb. Maar ik zal my door die tegenkanting, waar ik die ongegrond en onredelijk acht, niet laten weerhouden tot de invoering der bedoelde belastingen mede te werken".

De heer Mr. E. du Marchie van Voorthuysen sprak (Handelingen I bl. 180): „De rede van den geachten spreker uit Zuidholland noopt mij een enkel woord te zeggen, niet zoozeer om den geachten spreker te bestrijden, — ik zou my daaraan ook liefst op dit gebied niet wagen — maar om er iets by te voegen dat hem kan geruststellen en dus waarschijnlijk genoegen zal doen. Het betreft waar hy sprak over eene zaak, waarin wy vroeger veel van gevoelen verschilden, maar waarover wy thans meer elkanders gevoelen naderen, te weten die der spoorwegen. In 1875 heb ik mijn gevoelen daarover uitgesproken. Ik heb toen den aanleg van spoorwegen van Staatswege verdedigd, en wanneer ik nu naga wat in de Tweede Kamer is voorgevallen, door de Régering is verklaard, en ook in ons Verslag is opgeteekend, dan moet ik zeggen dat ik dit niet zonder eenige voldoening heb nagegaan. Myne meening, steeds verdedigd, ook vóór ik de eer had lid der Vertegenwoordiging te zyn, dat, waar hulp van Staatswege moet worden verleend omdat er zonder deze geen spoorwegen kunnen tot stand komen, de Staat

Sluiten