Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In myne afdeeling is het punt van uitstel, met het oog op onzen finantielen toestand, sterk op den voorgrond gesteld. Niettegenstaande ik morgen hoop te bewijzen dat mn'ne zienswijze over onzen finantielen toestand in de laatste jaren niet is veranderd, zal ik toch voor dit wetsontwerp stemmen, omdat het mijns inziens eene groote onbillijkheid zoude zn'n het te verwerpen.

Zn', die van uitstel spreken, doen het wel eenigermate voorkomen, als of het hier eene nieuwe zaak gold. Zn' vergeten dat de zaak van aanleg van spoorwegen op Java jaren lang onder verschillende vormen is aanhangig geweest, van Staatsaanleg concessie en van concessie Staatsaanleg geworden is, om eindelijk nu in behandeling genomen te worden, nadat men zoo geruimen tijd in Indië met gespannen verwachting naar dat oogenblik verlangd heeft. Gaat men nu na dat men, hangende die zaken, toen onze finantiele toestand werkelijk bezorgdheid moest inboezemen, niet geaarzeld heeft groote en kostbare werken hier te voteren, zou het dan geene groote onbillijkheid zijn om, nu eindelijk uitvoering aan die werken in Indië zal gegeven worden, dien finantielen toestand te doen wegen om te weigeren wat, na onderzoek, nuttig en noodig voor Indië blijkt te zijn? Ondanks onzen finantielen toestand acht ik het dus niet alleen regtvaardig, dit wetsontwerp aan te nemen, maar zelfs uit een finantieel oogpunt verstandig. Immers nu directe voordeelen uit Indië helaas in den laat sten tijd door bijzondere omstandigheden niet meer bestaan, is de ontwikkeling van Java voor indirecte voordeelen in de toekomst van het grootste belang. Daarom mogen wij niet aarzelen voor Indië te doen wat wij voor Nederland doen.

Ik zal over die verhouding tusschen Nederland en Indië niet uitweiden na hetgeen daaromtrent door den heer Duymaer van Twist is gezegd, voor wiens meening ik de grootste achting koester, maar wanneer ik gesproken heb van regtvaardigheid voor Indië dan is het omdat, terwijl ik het niet meer dan natuurlijk vond dat wij onze eigen werken in Nederland uit die Indische overschotten hebben bekostigd zonder tot leenen onze toevlugt te nemen, aan den anderen kant, nu Indië door bijzondere omstandigheden zelfs geen overschot meer oplevert, wij, mijns inziens, voor dat deel onzer bezittingen van ons Rijk, zoo als de geachte spreker uit Zuidholland te regt zegt, datgene moeten doen wat noodig is.

Wanneer ik dat regtvaardigheidsbeginsel op den voorgrond stel dan wensch ik echter tevens ten krachtigste te doen uitkomen dat er op de Ministers van Koloniën en van Finantien een zware pligt rust, namelijk, om te zorgen dat het regtvaardigheidsbeginsel niet eenzijdig worde toegepast. Wij in Nederland betalen op dit oogenblik veel, en zullen nog veel meer moeten betalen om ons finantieel evenwigt te herstellen. En nu zou ik het in de hoogste mate onregtvaardig achten dat daar, waar wij naar billijkheid aan Indië geven wat wij voor Nederland noodig achten, niet in even ruime mate in de kosten daarvan in Indië werd bijgedragen. Het

Sluiten