Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt tijd, meer dan tijd, dat gebroken worde met overdrevene philantrophie voor hen, die, omdat zij in het Indische klimaat wonen, meenen dat zij daarom voor een groot deel behooren vrijgesteld te zijn van het bijdragen in de lasten van den Staat. En wanneer ik nu naga hoe nietig het deel is dat door de Europesche bevolking in Indië gedragen wordt in de belasting, en op welke wijze dus een onbehoorlijke bevoordeeling ten opzigte van de belasting tegenover Nederland plaats heeft, dan wensch ik, terwijl ik aan den eenen kant pal sta voor de regten van Indië, om het de voordeelen te geven die wij genieten, ook even pal te staan voor den eisch, dat dat deel van het Ruk behoorlijk drage in de belastingen, die goed moeten maken de leeningen en aflossingen, benoodigd voor buitengewone werken. Ik zal dan ook stemmen voor dit wetsontwerp, in de vaste overtuiging dat deze Regering ernstig de handen aan het werk zal slaan om de door mn' aangevoerde onbillijkheid te doen ophouden.

Ten opzigte van de quaestie omtrent den Staatsaanleg en den aanleg door particulieren wensch ik het volgende te zeggen. Als regel — en te dien opzigte verschil ik van den heer van Voorthuysen — ben ik geen voorstander van Staatsaanleg, echter ben ik geworden een absoluut voorstander van den aanleg van Staatswege. Met korte woorden wensch ik te zeggen waarom.

Tijdens die quaestie hangende was heb ik de eer, en ik mag wel zeggen den last gehad, te zijn voorzitter van de Staatscommissie benoemd om te zoeken eene formule, waarop de concessien voor Indië zouden kunnen worden verleend. Die betrekking heeft mij in de gelegenheid gesteld in contact te komen met eerste finantiele specialiteiten op dat stuk in Europa. De ondervinding heeft mn' toen geleerd dat de eischen, die gesteld werden en moesten worden, om over te gaan tot den aanleg van spoorwegen in Indië, bij de enorme risico's daaraan verbonden, van dien aard waren, dat ik tot de overtuiging ben gekomen dat, wanneer de Staat zulke risico'3 te dragen heeft, zoodanig voor alle kwade kansen moet opdraan'en, en aan den anderen kant de aandeelhouders de voordeelen hebben wanneer de zaak medevalt, ik dan bepaald moet worden voorstander van Staatsaanleg voor Indië. En zij, die op dit stuk mogten twijfelen, zouden, wanneer zij dat met mij hadden doorgemaakt, eveneens geen oogenblik aarzelen om die meening te volgen, dat de Staat niet anders kan en mag dan dien aanleg zelf te doen. Ik zal dan ook uit dat oogpunt gaarne mijne stem aan dit wetsontwerp geven".

De heer du Marchie van Voorthuysen (Handelingen bl. 181): „Mijnheer de Voorzitter! Na hetgeen zoo even gezegd is door den anderen geachten afgevaardigde uit Zuidholland kan ik met eene enkele opmerking volstaan. Het schijnt dat ik my te vroeg verheugd had. Uit hetgeen de eerste geachte spreker in den aanvang gezegd heeft, meende ik te mogen opmaken dat hij thans myne denkbeelden omtrent den aanleg van spoor-

Sluiten