Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegen naderde, maar uit het later aangevoerde zoude men bijna het tegendeel afleiden. Zyn verwijzen naar den spoorweg die in Indië reeds aangelegd is zal, geloof ik, aan de Vergadering de overtuiging gegeven hebben, dat de geachte spreker van zn'ne eerste denkbeelden nog niet zoo geheel vry' is. Ik zal echter niet trachten den geachten afgevaardigde verder te overtuigen. Alleen wil ik tegenover zy'ne tevredenheid met dien uitslag my' met het antwoord vergenoegen, dat juist de geschiedenis van den eersten spoorwegaanleg op Java door concessie met garantie, voor my niet uitlokkend genoeg was, om myne meening te wijzigen'"

De Regeering by' monde van den heer van Bosse, Minister van Koloniën verklaarde (Handelingen I bl. 181 en 182): „My'nheer de Voorzitter! Ik heb het voorregt eene zeer gemakkelijke taak voor my' te hebben. De drie woordvoerders hebben het wetsontwerp niet alleen niet bestreden, maar — vooral de beide geachte afgevaardigden uit Zuidholland — het zelfs zoo krachtig verdedigd, dat ik er bijna niets behoef by' te voegen. Ik zal my' dus bepalen tot eene enkele opmerking, waartoe de redevoeringen en het Verslag der Kamer aanleiding geven.

In het Verslag wordt de vraag gesteld of Staatsaanleg, dan wel aanleg by concessie de voorkeur verdient.

Ik behoor onder hen, die vroeger veel met concessie op hadden, en — het is reeds opgemerkt — bepaald van oordeel waren dat aanleg door particulieren verre de voorkeur verdient boven aanleg door den Staat. In één opzigt zou ik nog van die meening zyn, namelijk wanneer men concessie vroeg zonder hulp van den Staat, maar wanneer het geldt subsidien of rentegarantie, dan blijf ik een bepaald tegenstander van aanleg van spoorwegen door particulieren.

Ik zal van de laatst gesloten overeenkomsten, waaraan de Tweede Kamer hare goedkeuring weigerde, niet veel zeggen; ik mag het lij den dat men die contracten eene concessie noemt, maar in myne oogen waren zij niets anders dan overeenkomsten, waarby eene Maatschappij zich verbond om voor geld, dat de Staat zou geven, spoorwegen te bouwen, terwy'1 de Staat alle kwade kansen voor zy'ne rekening zou houden. Dit was ook mijn voornaamste bezwaar tegen die concessie.

Ik moet verder doen opmerken, dat de spoorweg van Samarang naar de Vorstenlanden, even als die van Batavia naar Buitenzorg, alle kans op een goeden uitslag beloofde. Hetzelfde meen ik te mogen verwachten van den spoorweg in het oosten van Java. Maar als men spoorwegen heeft aan te leggen in de Preanger, of die Solo en Djokjo moeten verbinden met de residentien Banjoemas en Bagelen, waar men te worstelen heeft met de bezwaren aan bergstreken eigen, dan betwijfel ik zeer of men voor zulk een aanleg liefhebbers zou vinden voor concessie zonder Staatsgarantie.

Sluiten