Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 4. De lijnen Solo—Madioen en Pasoeroean—Prcbolinggo, alsmede de particuliere aanleg tof ongeveer 1883.

Nadat tot den aanleg van de lijnen Sidoardjo—Madioen—Blitar en Batavia—Tjitjalengka besloten was, onderging het spoorwegnet van den Staat in de eerste jaren slechts geringe uitbreiding.

Wel lag het voor de hand, dat de schakel Madioen—Solo, welke door het verwerpen van het wetsontwerp tot goedkeuring van de 4 met de N. I. S. M. gesloten overeenkomsten (zie § 1) nog ongebouwd was gebleven, ter sprake zou komen, maar vlot verliep, het daarmede ook niet.

Minister van Bosse trok voor den aanleg van deze lijn een klein bedrag uit op de Indische Begrooting van 1879. Hij combineerde dit met het crediet noodig voor den afbouw van lijn Sidoardjo—Madioen, doch hiertegen rezen in de Kamer ernstige bedenkingen.

In het Voorloopig Verslag (Gedr. Stuk 1878—79. II 4 No. 45) lezen we ad. art. 39 (Uitgaven in Nederland):

„Onderafd. 39. Met nadruk kwam men op tegen de wijze, waarop hier, „als ongemerkt en in 't voorbijgaan, aan den spoorwegaanleg in Indië „voor Staatsrekening grootere uitbreiding gegeven wordt dan tot nu toe „vaststond. Bij de wet van 6 Junij 1878 (Staatsblad No. 93) is goedkeuring verleend voor het aanleggen van de ln'n Sidhoardjo—Madioen. „Nu ging het niet aan bij een blooten begrootingspost, zonder nadere „magtiging, verder te gaan dan die wet medebrengt en, zooals men dat „uitdrukt, de lijn van Madioen tot Soerakarta door te trekken. Afzonderlijk, niet met reeds vastgestelde fijnen vermengd, moest deze zaak aan de „beslissing der wetgevende magt worden onderworpen. Te meer behoorde „dit het geval te zn'n, omdat men in het vorige jaar dezerzijds eene alge„meene raming voor spoorweguitgaven heeft afgekeurd. Het gold hier een „spoorwegvak van 80 a 90 kilometers, en dus eene vermoedelijke uitgaaf „van 8 a 9 millioen. De reden, die op bladz. 18 der Memorie van Toelichting „wordt opgegeven voor het niet opnemen van de verlenging in de wet „van 6 Junij 1878, namelijk het verband met de toen nog bestaande „overeenkomsten met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij, „moge juist zijn, zij regtvaardigt niet, dat men thans handelt als of die „wet eene breedere strekking had. De Regering had niet behoeven te „schromen om de zaak bepaald aan de nadere beslissing der wetgevende „magt te onderwerpen, te meer omdat men waarschijnlijk daartegen geen „overwegend bezwaar zou maken. Er waren echter leden, die nu reeds „verklaarden, dat zij, met het oog op den finantielen toestand van Nederland en Indië, hunne toestemming aan het ondernemen van nieuwe „groote openbare werken in de kolonie in geen geval zouden geven".

Sluiten