Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister antwoordde hierop (Gedr. St. 1878—1879. 4 No. 46): „Onderafd. 39. Het is geenszins de hedoeling geweest om door de „wetgevende magt „.„ongemerkt"" eene beslissing te doen nemen omtrent „den aanleg der lijn Madioen—Soerakarta voor rekening van den Staat, „Integendeel is uitdrukkelijk in de Memorie van Toelichting (blz. 18) „onder de aandacht der Kamer gebragt, dat bn' deze ontwerpbegrooting „gerekend was niet alleen op de voortzetting van den aanleg der lijn „van Sidhoardjo naar Blitar en Madioen, aangevangen ingevolge de sup„pletoire begrooting van 1878, maar bovendien op de doortrekking dier „ln'n van Madioen tot Soerakarta. Duidelijk is dus in het licht gesteld „dat men, hier te doen had met een voorstel, waarop de goedkeuring der „wetgevende magt werd gevraagd. Tot toelichting van dit voorstel viel, na „hetgeen vroeger is gebeurd, niets meer en niets anders te zeggen, dan in „de Memorie van Toelichting gezegd is. In 1877 is in Indië een avant„projet opgeniaakt voor een staatsspoorweg van Sidhoardjo over Madioen „naar Soerakarta, en de bij dat avant-projet behoorende toelichting is ,,bn' de primitive begrootingsontwerpen voor 1878 aan de Kamer overgelegd. Van Regeringswege werd echter destijds het voorstel • gedaan „om alleen van Sidhoardjo tot Madioen een staatsspoorweg te bouwen „en om voor de lijn Madioen—Soerakarta concessie te verleenen. Toen „vervolgens dit laatste denkbeeld werd verworpen, is door de Regering, „op de haar deswege gedane vraag, te kennen gegeven dat zn' bij de eerste „gelegenheid zou voorstellen om de lijn Madioen—Soerakarta ook voor „Staatsrekening aan te leggen. De thans voorgedragen begrooting was „de aangewezen gelegenheid om dat voorstel te doen, en de eenige rationele „wn'ze om het aan te brengen scheen deze te zn'n, dat in de onderafdee„lingen S9d van het Iste en S5d van het Ilde hoofdstuk eene ln'n Solo— „Blitar—Sidhoardjo in stede van eene ln'n Madioen—Blitar—Sidhoardjo „werd begrepen.

„De ondergeteekende is echter bereid aan het bezwaar, in het Verslag „vermeld, te gemoet te komen en zal voor den verderen aanleg van spoorwegen een afzonderlijk wetsontwerp indienen.

„Het was trouwens niet het voornemen reeds in dit jaar van de aangevraagde sommen eenig ander gebruik te maken dan voor de lijnen in „de wet van 6 Junij 1878 (Staatsblad No. 93) bedoeld".

De gelden noodig om met den bouw te beginnen, werden daarop van de begrooting afgevoerd.

Het duurde nog tot 15 December 1879 voor dat bij de Tweede Kamer een afzonderlijk wetsvoorstel ingediend tot verhooging van de Begrooting van 1880 voor aanleg van de ln'n Madioen—Solo. Aan de toezegging van minister van Bosse in de Eerste Kamerzitting van 14 December 1979 in antwoord op een desbetreffende opmerking van den heer du Marchie van Voorthuyzen (Handelingen I bl. 47—49) en in de Tweede Kamerzit-

Sluiten