Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tingen van den 27en en 29en d.o.v. in antwoord aan den heer Fransen van de Putte (Handelingen II. bl. 134, 136 en 182) om gelyktjjdig den aanleg van een spoorweg in Bagelen en Banjoemas aan de orde te stellen werd dus niet voldaan.

Oorzaak was het toenemende geldgebrek, waar de leeningsplannen van de baan waren en het geld voor de groote openbare werken uit de gewone middelen gevonden moest worden. "•)

Het wetsvoorstel met de Memorie van Toelichting (Gedr. Stuk 1879— 1880. II. 100 Nos 2 en 3) is opgenomen als bijlage X, het Voorloopig Verslag en de Memorie van Antwoord als bijlage XI en XII.

Nadat de algemeene beraadslaging op 30 April 1880 geopend was verkreeg de heer Mr. J. R. Oorver Hooft het woord (Handelingen II. bl. 1088): „Een enkel woord ter motivering van de stem die ik over deze wet waarschijnlijk zal uitbrengen. Bij eene andere discussie voor omstreeks acht dagen, heeft de Minister van Koloniën gewaarschuwd om niet zoo stellig te verklaren dat men tegen eene wet zal stemmen, omdat men van zulk een voornemen wel eens zou kunnen terugkomen. Dit laatste nu zal hier bij my het geval waarschijnlijk niet zyn. Mjjn bezwaar is hetzelfde als ik in den laatsten tijd meermalen tegen wetsontwerpen heb ontwikkeld; het is wederom eene verhooging van uitgaven zonder dat er eenige aanleiding bestaat om te verwachten, dat vermeerdering van middelen daarmede hand aan hand gepaard zal gaan. Ik acht het hoog noodzakelijk onze uitgaven te beperken. Het treft my wat de Minister in § 1 van zyn Antwoord zegt. Ik lees daar: „„Eene bedachtzame „fiananciele staatkunde belet toch geenszins om de begrooting van 1880 „nog te bezwaren met de uitgaaf, bij het aangeboden wetsontwerp voorgedragen. Kon dit reeds op goede gronden gezegd worden toen het wetsontwerp werd ingediend, thans is dit nog in meerdere mate het geval, „daar het zich laat aanzien dat de gunstige tinpryzen eene aanzienlijke „vermeerdering van inkomsten en de vermoedelijk zeer matige koffjjoogst „daarentegen eene niet minder belangrijke vermindering in het cijfer „der uitgaven zal veroorzaken"". Dit laatste wil ik gaarne gelooven, maar die vermindering van uitgaven zal in het volgend jaar worden opgewogen door eene vry wat grootere vermindering van ontvangsten, en daarom al hebben wy dit jaar een gering voordeel, dit zal in het volgend jaar weer verdwijnen. Door deze redenering van den Minister kan ik mij dus niet laten verleiden, om voor dit wetsontwerp te stemmen.

Maar ik heb nog een ander meer algemeen bezwaar. Wy hebben reeds veel te veel openbare werken te gelijk ondernomen; deze vorderen veel te veel uitgaven, en die mogen wy voor het oogenblik niet vermeer-

1) Zie Mr. P. Brooshooft Memorie over den toestand in Indië (Eerste gedeelte (Samarang H. van Alphen) 1888 bl. 113 e.v.

Sluiten