Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zou het dus zeer betreuren wanneer dit wetsontwerp niet werd aangenomen".

De heer van Goltstein, Minister van Koloniën: „Mijnheer de Voorzitter! Indien de geachte afgevaardigde uit Groningen nog bezwaar maakt op de gronden door hem aangevoerd tegen dit wetsontwerp, dan meen ik hem toch wel te mogen te gemoet voeren, dat zn'ne bezwaren niet zeer zwaar kunnen wegen.

Is er dan in het oog van den geachten afgevaardigde geen onderscheid tusschen hetgeen men verstaat tusschen onvermijdelijk onderhoud en het gewone onderhoud? Iedereen weet welk eigenaardig en groot onderscheid daartusschen bestaat.

In het Verslag en in het Antwoord wordt gezegd, dat het gewone onderhoud, zelfs de vernieuwing van rails, dit jaar heeft plaats gehad.

Waar stond het cijfer van ƒ 600.000, vroeg die geachte afgevaardigde. Mn'nheer de Voorzitter, het stond in de Nota tot beantwoording van het Verslag en in mn'ne rede in de Tweede Kamer uitgesproken, waar ik dat cn'fer geadstrueerd heb en verdedigd.

„„Vele stalen rails zn'n nog noodig"", zeide ook de geachte afgevaardigde. Maar onder de som van ƒ 600.000 is ook begrepen een bedrag van ƒ 187.342 voor aankoop van stalen rails in Nederland.

Ik zal het debat met den geachten afgevaardigde uit Zuidholland sluiten, want het blijkt dat wy elkander niet verstaan. De geachte afgevaardigde begrijpt niet de zinsnede in de Nota van antwoord, dat men, al exploiteert de Maatschappij tot Tandjong-Priok, in conflict komt met de exploitatiemaatschappij van de havens, tenzij het de bedoeling is om den Staat de haven te doen exploiteren. De havens zullen toch geëxploiteerd moeten worden, hetzn' door den Staat of door eene Maatschappij. Is het eene Maatschappij dan bestaat er juist een ruim veld voor conflicten met de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij, die niet anders dan nadeelig kunnen zijn voor het algemeen belang.

Ik eindig met den geachten afgevaardigde uit Overijssel, die ervarener in spoorwegzaken is dan ik, dank te zeggen voor zijnen steun aan dit wetsontwerp geschonken, en de Vergadering, als laatste motief, wel in bedenking te geven, welke bezwaren er aan verbonden zn'n om, wanneer de Staat een aanzienlijk net van spoorwegen aanlegt, juist de exploitatie van het gedeelte, dat de twee hoofdpunten van het bestuur in NederlandschIndië verbindt, aan eene particuliere Maatschappij over te laten".

De heer Mr. C. J. Pické „Mn'nheer de Voorzitter! Ik zal mijne stem aan dit wetsontwerp geven, omdat ik uit de woorden van den Minister opmaak, dat door de aanneming van deze wet in geen enkel opzigt tot Staatsexploitatie van de haven van Tandjong-Priok wordt besloten".

Sluiten